Laat ze – laat ze hun eigen gang maar gaan

• Opvoeden is meer dan kunstjes leren
“Laat ze; laat ze hun eigen gang maar gaan!” De afgelopen week sprong deze (vrije) interpretatie van Ramses Shaffy’s ‘Laat me/Vivre’ mij bij herhaling in gedachten. Aanleiding was een reportage die ik hoorde over het Zwartboek’ Kleuters in de knel’ dat de Werk- en Steungroep Kleuteronderwijs aan de vaste Kamercommissie van Onderwijs heeft aangeboden. De werkgroep – bestaande uit onderwijskrachten, oud-onderwijzers en ontwikkelingspsychologen – vindt dat binnen het kleuteronderwijs “het roer radicaal om moet”. Onderwijsmethoden, lesprogramma’s en toetsen zijn te veel gericht op cognitieve prestaties. Een kleuter – zo stelt de werkgroep – is geen schoolkind, maar wordt wel als zodanig getoetst en behandeld.

Het Zwartboek “Kleuters in de knel” bevat 101 “treurige” praktijkverhalen van leerkrachten “over hun schokkende ervaringen met en bezwaren tegen het veranderde kleuteronderwijs. Het is een aanklacht én pleidooi, gericht tot degenen die verantwoordelijk zijn voor het onderwijs aan kleuters en daar het beleid voor maken”.

In het Voorwoord van het Zwartboek staat: “Uit angst voor leerachterstanden is er een voortdurende drang van bovenaf, om eerder dan verantwoord is, te starten met schoolse activiteiten in de kleuterklas. De tijd om een leerrijke omgeving te creëren en kleuters in hun spel te observeren en te faciliteren, komt daardoor ernstig in het gedrang. Problemen die men bedoelde te voorkomen, ontstaan juist daardoor. Kinderen kunnen op deze manier al vóór het begin van hun schoolcarrière schade oplopen.”

Het effect van dit alles is opvoedstress. Bij kinderen, hun ouders en (onder andere) leerkrachten. Zij allen lijden in toenemende mate aan en onder een ziekelijke en nerveuze prestatiedrang. Een prestatiedrang waarin zij elkaar opzwepen. Tot dat uitputting volgt. Met mislukking als gevolg.

Voorbeeld van een juf die er de brui aan gaf is Erica Ritzema. Zij was 29 jaar werkzaam in het kleuteronderwijs. Ze schreef in november 2012 een stuk, geplaatst in o.a. het Noordhollands Dagblad: “Ik ben beland in een periode waarin de kleuters de leerstof van groep drie krijgen voorgeschoteld en de resultaten moeten worden geregistreerd in een observatiemodel wat is voortgekomen uit de orthopedagogiek (alsof er alleen nog maar kinderen met afwijkingen zouden bestaan). Wie hoort in deze situatie nog iets terug over het begeleiden van het vertrouwen in de natuurlijke ontwikkeling van kleuters? Ik niet. Kinderen zijn gereduceerd tot vaatjes, waarin ik dagelijks van bovenaf opgelegde informatie moet stoppen. Alles draait om opbrengstgericht werken, just for profit, not for people.” Erica meende daardoor mee te werken aan het ontwikkelen van een maatschappij waarin mensen geen uiting meer zullen kunnen geven aan hun emoties.

Als ‘ervaringsdeskundige’, vader en opa weet ik uit ervaring – en vind ik dus ook – dat de werkgroep – net als Erica – de spijker op zijn kop slaat. Ik voelde mij ook geraakt en aangesproken door de consequentie die Erica daaraan voor zichzelf verbond. Zij verdient een appeltje van oranje!

Mijn conclusie naar aanleiding van die reportage en het Zwartboek: Het lukt ons als maatschappij kennelijk niet meer om ervoor te zorgen dat onze kinderen zichzelf kunnen zijn. Zich naar eigen aard en mogelijkheden kunnen ontwikkelen. In Fluitsma’s & Van Tijn’s land van zoveel miljoen mensen – het land van 1000 meningen – heerst de betutteling.

De alarmbel over die betutteling wordt met dit Zwartboek dan ook terecht geluid. Het is dramatisch wat de ziekelijke prestatiedrang – het gevolg van een overdreven normering – met kinderen en (professionele) opvoeders doet. Het is een niet vol te houden ‘ratrace’. Omdat kinderen niet aan die verwachtingen kunnen voldoen, omdat het de harten van opvoeders breekt en omdat het professionals hun professionaliteit afneemt.

Het wordt tijd dat wij onze kinderen weer de ruimte geven om op een meer relaxte manier groter te groeien. Want in of aan een gestreste of angstige stemming of omgeving kan niemand leren. Ruimte om te spelen is daarvoor ontzettend belangrijk. Een kind speelt, omdat het spelen leuk vindt. Marianne de Valck (speelgoeddeskundige) verwoordt dat als volgt: “Geen kind speelt om zich te ontwikkelen, een kind ontwikkelt zich door te spelen. Het kind speelt omdat – en zolang – het leuk is om te spelen. Bij spelen is het proces het belangrijkste, niet de prestatie. Kinderen spelen niet om de ontwikkelingswaard, maar om het spelen. Spelenderwijs ontwikkelen kinderen gelijktijdig het voelen, denken en doen. Zo ook legt een kind – door doen en ervaren – de basis voor zijn ontwikkeling.

Mijn welgemeende hartenkreet luidt daarom: Zoveel miljoen kinderen, die schrijf je niet de wetten voor, die moeten niet ’t keurslijf in. Die laat je in hun waarde!

Zie ook: http://deoverkant.wordpress.com/2013/04/21/speel/

Privacy: de schaamlap voorbij

• Ik geloof dat ik een identiteitscrisis doormaak. Vanochtend durfde ik mijn post niet open te maken, bang als ik was om mijn privacy te schenden (Woody Allen)
Privacy; voor mij houdt het veel in. Politici Ik hecht er erg veel waarde aan. En nog meer dan dat, wens ik dat mijn privacy gerespecteerd wordt. En toch….

Ik denk dat privacy met vertrouwen te maken heeft. Vertrouwen in voor en met wie jij actief bent. Vertrouwen geven en krijgen vraagt om het zorgvuldig omgaan met informatie die jij (of aan jou wordt) verstrekt. De meest eenvoudige en transparante weg daar naar toe is: aan de mensen die het aangaat laten weten wat je, waarom en met wie, wanneer en waartoe wilt delen.

Ontwikkelingen binnen internet en ICT zorgen voor grote veranderingen op het gebied van privacy. We delen steeds meer informatie over onszelf. Wat we aan het doen zijn, maar ook welke trein we nemen en welke ziekten we hebben. Is privacy een verouderd begrip? Naar mijn mening niet. Maar het is door de gehanteerde eigendomsverhoudingen wel een onnodig complex issue.

Respect voor de privacy voor mijzelf en de ander staat voor mij voorop. Ik verwacht dat mijn partner, mijn kinderen en mijn vrienden de dingen die ik hen in vertrouwen vertel, niet doorvertellen. En al wanneer het te maken heeft met medisch beroepsgeheim, dat geschonden wordt. Dan zou ik echt laaiend zijn. Niet alleen wanneer dit betrekking heeft op mezelf, maar ook indien het medisch beroepsgeheim van een ander geschonden wordt. Het is niet aan de professional om zonder meer informatie over mensen met en voor wie hij of zij werkt openbaar te maken; ook al wordt er geen namen van betrokkenen genoemd. Naast schending van beroepsgeheim heeft dat wat mij betreft met fatsoen en professionaliteit te maken.

In een periode waarin meer mensen dan ooit hun recht op privacy bedreigd zien en willen opeisen vraag ik desondanks begrip voor een andere, kritische beschouwing van het onderwerp. Ontstaan uit de overtuiging, dat de accentverschuiving naar individualiteit en autonomie sedert de zestiger jaren ten koste is gegaan van belangrijke waarden voor een hechte, tevreden samenleving. Een ander geluid dan de panische reacties – hoe begrijpelijk en terecht soms ook – wanneer onze (medische) dossiers, ons bestedingsgedrag en ons Internetgebruik bekender blijken dan we wellicht wenselijk achten of zouden willen.

Te veel bezorgdheid om persoonlijke vrijheid kan een bedreiging zijn voor zowel de publieke als persoonlijke gezondheid, veiligheid. En bovendien – ook wezenlijk – de echte (duurzaam betaalbare) oplossing van het vraagstuk. De tijd van terughoudendheid is dus wat mij betreft voorbij. Onze ‘mindset’ kan en moet om.

Ik merk dat er rond de zorg voor kind en gezin steeds meer behoefte en bereidheid is om – over de grenzen van de eigen organisatie heen – samen te werken. Er ontstaan wijk- of gebiedsteams die steeds meer en gezamenlijk een eigen verantwoordelijkheid nemen (en krijgen). Tegelijkertijd ontstaat er – ook c.q. vooral – in het belang van ouders en kinderen een toenemend besef over nut en noodzaak van het delen van informatie. Zeker als er meerdere (financierende dan wel ondersteunende) partijen bij een gezin betrokken zijn.

Het ontwerp voor een daarbij passend privacy model is het zoeken naar een optimale balans tussen privacy en gemeenschapsbelang. Maar, waar een wil is, is een weg en kunnen juridische en practische bezwaren worden weggenomen. En ja, ook de wet biedt daarvoor mogelijkheden. Gebruik maken van persoonlijke gegevens mag, mits de gegevensverwerking noodzakelijk is om een wettelijke verplichting waaraan de verantwoordelijke onderworpen is na te komen.

Ook voorzitter Jacob Kohnstamm van het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) stelt dat er wat betreft het (medisch) beroepsgeheim niets absoluut is. Zo kan in zwaarwegende gevallen worden afgeweken van het beroepsgeheim, bijvoorbeeld als het gaat om meldingen van kindermishandeling. Kohnstamm vindt dat de beroepsgroepen zelf moeten stilstaan bij vragen die rijzen over het (medisch) beroepsgeheim. ‘Zorg voor richtlijnen voor hulpverleners hoe ze met dit morele probleem moeten omgaan. Hulpverleners zitten met het dilemma: aan de ene kant heb ik een ouder en/of kind die ik vertrouwen moet geven, aan de andere kant heb ik een maatschappelijke opdracht.’

De beste en meest eenvoudige manier om dit tot stand te brengen is om het beheer en eigendom van gegevens bij de ouder(s)/kinderen zelf te beleggen. Ouders en kinderen geven hierbij duidelijk en zelf te kennen dat de persoonlijke gegevens verwerkt en gebruikt mogen worden voor een bepaalde reden. Volgens mij is dat heel goed mogelijk en werkbaar met goede afspraken m.b.t. privacy, inzage- en mutatierechten voor eventueel betrokken professionals.

Dit laatste geldt wat mij betreft niet alleen bij samenwerken rond ‘lichte’ of enkelvoudige vraagstukken of problemen. Ook – of misschien juist wel – in gevallen waarin sprake is van ‘zwaardere’ of ‘meervoudige’ vraagstukken of problemen is dit een interessante optie.
Waar het om gaat is dat mensen die het betreft doordrongen zijn dan wel worden van nut en noodzaak tot het delen van die informatie. Vanwege de gewenste oplossing, vanwege de effectiviteit en vanwege de betaalbaarheid van het antwoord.

Laten wij daarom – om te beginnen tijdens en met scholing – professionals veel beter leren dat zij twee plichten hebben: een zwijgplicht en een ondersteuningsplicht. En soms is het nodig om het beroepsgeheim te doorbreken om aan de ondersteuningsplicht te voldoen.

Duidelijk zijn en grenzen stellen. Dat is waar het volgens mij bij professionaliteit en privacy vooral om draait. Duidelijk maken wat, waarom en met wiewaartoe gedeeld moet worden. Het bewaken van die grenzen juist lastige situaties moet je delen. Belangrijke toetssteen daarbij is dat jij als professional kunt uitleggen waarom het van belang is dat een ander bij jou bekende informatie kent. Jouw beweegredenen moeten dus duidelijk zijn voor de mensen voor en met wie jij werkt. En dat alles in de wetenschap dat je al professional je plicht niet hebt volbracht als je de gegevens in het systeem hebt ingevoerd. Niet het vastleggen van die gegevens immers brengt de oplossing, maar het daarmee (professioneel) omspringen en hanteren tijdens het bijspringen of meelopen bij de aanpak van het vraagstuk doet dat.

Waardigheid

Eigen kracht is: waardigheid ontginnen, exploreren of her-winnen.

Het kabinet-Rutte vindt dat mensen zo veel mogelijk moeten kunnen meedoen in de samenleving. Daarbij staat de eigen kracht en verantwoordelijkheid van burgers en hun sociaal netwerk voorop. Tegelijkertijd is het belangrijk dat mensen, wanneer dit noodzakelijk is, ondersteund worden om zo lang mogelijk zelfstandig te participeren. Uitgaan dus van de waardigheid van mensen en wat zij zelf kunnen en hoe zij geholpen kunnen worden om te participeren in de samenleving (Transitiebureau begeleiding, 2011; Veldhuijzen van Zanten-Hyllner, 2012).

Waardigheid. Als jochie van vijftien was ik niet meer te houden in de schoolbanken. Niet omdat ik er ‘de kop’ niet voor had. Volgens de deskundigen juist wel. Maar ik voelde mij er niet op mijn gemak. Voor mijn vader – zelf schoolmeester – een hard gelag. Het deed hem en mijn moeder – die nooit mocht studeren – dan ook ook zeer. De pijn die zij ervoeren aan mijn besluit om toch gegaan werken – en mijn daardoor geschonden gevoel van waardigheid – sloeg om in trots toen zij op een dag met mijn toenmalige werkgever rond de tafel zaten. Hij, Cees van der Valk (Hotel-Restaurant De Molenhoek) sprak met waardering en lof over mijn doen en laten. Het voedde hun en mijn eigenwaarde. Het zelfvertrouwen dat ik daardoor kreeg zorgt er voor – tot op de dag van vandaag aan toe – dat ik mijn kwaliteiten kan laten floreren.

In ons dagelijkse leven speelt waardigheid een belangrijke rol. Ik ervaar dat elke dinsdagavond, als de kleinkinderen bij ons komen. Inmiddels is de afgelopen weken na het tafelen de traditie gegroeid dat Joshua (2) samen met Noa (5) gezamenlijk de stoel bij de aanrecht schuiven en aan de afwas gaan. Joshua maakt mij duidelijk dat zijn trui uit moet (anders wordt hij nat) en zet zich aan het afwassen van de pannen, terwijl Noa ijverig de keukenkastjes en de eettafel schoonpoetst. En nadat Joshua het bestek keurig geordend in de vaatwasser in het juiste vakje heeft gesorteerd, plaats hij het zeepblokje vakkundig in de vaatwasser, om die vervolgens ook in werking te stellen. Het ontstond allemaal spelenderwijs. En neem van mij aan, dat ik tegen mijn kleinkinderen niet moet zeggen ‘dat kun (of hoef) jij niet, laat mij het maar even doen’. Het is al heel gauw tegen hun eigen waardigheid in. En dan heb ik de poppen aan het dansen! Juist het stimuleren van elk volgende stapje – de zone van de naaste ontwikkeling – doet hun waardigheid, en daarmee hun aanspreekbaarheid, groeien….

Eigen kracht betekent dus dat je wordt aangesproken op en gestimuleerd in de dingen die bij je passen, die je kunt en waar je in gelooft. Dat je dingen bereikt. Met je hele hebben en houden.

Eigen kracht – en het stimuleren daarvan – vraagt echter ook iets van onze omgeving. Dat realiseerde ik mij toen ik deze week het MAX-tv programma ‘Krasse Knarren’ zag. In de aflevering van deze week zag ik Bram Biesterveld (Pommetje Horlepiep), die normaal altijd met zijn rollator loopt, weer tapdansend (zijn grote passie) door het huis manoeuvreren. De geestelijke verjonging van de al op leeftijd zijnde (tijdelijke) bewoners van het Krasse Knarren-huis spatte van de buis. En duidelijke het gevolg van herwonnen – want door zijn omgeving gestimuleerd en aangesproken – waardigheid.

Hetzelfde streven – mensen aanspreken op wat zij kunnen – ervaar ik bij het kijken naar ‘Golden Oldies’. In dit BNN-programma werkt presentator Ruben Nicolai met een koor van dertig bejaarden samen en toe naar een knallend concert in Koninklijk Theater Carré. Niks geraniums. Deze oudere koorleden blazen met hun rockmuziek alles en iedereen van het podium. Ze duiken voor meer dan 100% in dit voor hun misschien wel laatste grote avontuur. Ze zijn grijs, gestopt met werken, reizen met senioren-korting en… ze willen nog één keer vlammen! Ruben maakt ware rockers van deze 70-plussers!

Hoe desastreus het afnemen van waardigheid kan uitwerken ervoer ik eveneens deze week. Toen ik donderdag het nieuwsbericht las over de 24-jarige Robert H. Vier jaar lang werd hij op zijn werk elke dag gekleineerd, getreiterd en vernederd. Tot hij er niet meer tegen kon, overspannen raakte en besloot een levensgevaarlijke spijkerbom te bouwende. Ik keur zijn daad niet goed; maar begrijpen kan ik het wel. En ik vraag mij af wie er hier eigenlijk een probleem heeft: Robert H. of zijn pestende collega’s?

Respect betekent volgens de definitie op Wikipedia aanzien, eerbied of waardering, die men heeft voor (of ontvangt van) iemand vanwege zijn kwaliteiten, prestaties of vaardigheden. Het woord betekent oorspronkelijk omzien naar, en vandaar rekening houden met.

Eigen kracht – zo definieer ik het na deze week – is respectvol omzien naar en werken aan waardigheid. Mensen laten weten dat ze er toe doen. Niet om wat ze zijn, maar om wie ze zijn. Ze daardoor en daaraan laten groeien en bloeien! En de betekenis daarvan. Voor henzelf, voor jou en voor mij.

Stelsel in puin – opruimen en ruimte creëren

Verzamelen is van alle tijden en van alle leeftijden. Kinderen houden zich al bezig met het verzamelen van voetbalplaatjes en barbiepoppen en ouderen op hun beurt met het verzamelen van antiek, boeken, dieren, kranten of schoenen. De meeste mensen hebben hun verzamelwoede in de hand en houden hun collectie op peil of huren, indien nodig, een professionele organizer om orde op zaken te stellen. Het kan echter ook uit de hand lopen waardoor het huis te klein wordt, vervuiling en verwaarlozing optreedt, gepaard met stankoverlast. We spreken dan van hoarding of verzamelzucht.

Vrijwel iedere Nederlander kijkt elke dag televisie, maar vaak fungeert de beeldbuis als ‘behang’: echt geconcentreerd wordt er niet gekeken. De kijker praat, leest, belt, sms’t, strijkt, eet, breit of vrijt voor de tv. Bij mij is dat nauwelijks anders. Ik zit meestal met mijn laptop op schoot te werken. Soms echter wordt mijn aandacht getrokken door een programma.

De afgelopen weken had ik dat een paar maal bij het RTL-programma ‘Mijn Leven In Puin’. Volgepakte huizen met stapels boeken, bergen kleding en lagen vuilnis; sommige mensen kunnen niets weggooien. Met veelal ingrijpende gevolgen, zoals een praktisch onbegaanbare woning en sociaal isolement.

In het TV-programma ‘Mijn Leven In Puin’ worden dit soort van extreme verzamelaars geholpen door presentator Peter van der Vorst. Samen met professional organizer Manita Overweg en psycholoog Barbara Nanninga doet hij in vier dagen tijd een poging deze verwoede verzamelaars van hun rommel te bevrijden. Dat valt lang niet altijd mee, omdat deze mensen enorm veel waarde hechten aan hun spullen.

Extreme verzamelwoede is ondertussen erkend als een psychische stoornis met grote sociale, emotionele en fysieke gevolgen voor degene die eraan lijdt maar ook voor hun omgeving.

Het – met een half oog en een oor – volgen van een aantal afleveringen van dit programma riep bij mij een associatie met ons zorgstelsel op: een doorgeslagen verzamelwoede van protocollen en een stapeling van wetten en regels hebben inmiddels geleid tot een onbegaanbaar zorgoerwoud.

Vroeger deed je – als wijkverpleegkundige bijvoorbeeld – alles zelf: het eerste telefoontje aannemen, het intakegesprek en een dag later de zorg leveren. Tegenwoordig zitten er drie verschillende instanties tussen. Het hele proces is uit elkaar gehaald. En om dat dan weer bij elkaar te brengen kiezen we niet voor de meest logische weg – het terugbrengen van de eenvoud – maar zetten wij weer een extra schakel in: de zorgmakelaar. Het zorgstelsel van Nederland raakt zo volstrekt ontregelt; juist door de regeldrift. Hoeveel gekker moet het nog worden?

Het zo dwangmatig hamsteren of pack rat – dat verwijst naar de het hamsteren van dat dier – houdt in dat men angst heeft om iets weg te gooien en geen afstand kan doen van het oude. Mensen met deze stoornis zijn niet gek. Ze zijn zich bewust van hetgeen rondom hen gebeurt en dat ze een probleem hebben. Ze zijn zich er echter niet van bewust dat zij zelf het probleem zijn.

De ‘puinhoop’ die zo in de loop der jaren is ontstaan is ongekend groot en dreigt – naast onbetaalbaar – ook onoplosbaar te worden. De in de loop der jaren gegroeide financieringsstromen binnen het sociaal domein bijvoorbeeld zijn zo ingewikkeld en ondoorzichtig dat het Rijk maar niet in staat blijkt om de gemeenten (op tijd) te voorzien van deugdelijke cijfers over aantallen zorggebruikers en daarmee gemoeide budgetten.

Ook de door het Rijk gewenste en in gang gezette decentralisaties lijken aan deze stoornis ten prooi te vallen. De regering wil wel – en weet ook dat het moet – vernieuwen, maar ze kan maar geen keuzes maken en afscheid nemen van het oude. En – bovenal – ze wil zich met elke keuze blijven bemoeien. En wijzelf – als burger en zorggebruiker – doen daar graag aan mee. Het gevolg is een stelsel in puin.

Het is dus tijd voor een grote verbouwing. Want u en ik worden als gevolg daarvan door de ene na de andere waanzin getroffen. En als wij er samen niet in slagen om de verzamelwoede en behoudzucht te beteugelen verbetert het niet. De grote uitdaging en opdracht luidt daarom: opruimen en ruimte creëren. Want ons zorgstelsel is inmiddels als het Rijksmuseum van voor de jarenlange renovatie. De omvangrijke verbouwing daarvan was een voor Nederland ongekend maar noodzakelijk – en inmiddels prachtig voorbeeld – project.

De binnenhoven van het Rijksmuseum waren dichtgebouwd, waardoor het daglicht – en daarmee het juiste dan wel optimale zicht op de dingen die er toe doen – uit de zalen daar omheen verdween. Het heldere concept van Cuypers veranderde zo in de loop der jaren in een doolhof.

Het museum ontwikkelde een plan voor Het Nieuwe Rijksmuseum. Dit gebouw is nu klaar en heeft weer een open en ruimtelijke uitstraling.

Het regent inmiddels lovende recensies over het Rijksmuseum – ‘het voelt gewoon goed’. Laten we er voor gaan dat het nieuwe zorgstelsel dat gemeenten mogen bouwen eveneens bedolven gaat worden onder lovende recensies. Het zou betekenen dat wij er daadwerkelijk in geslaagd zijn om de bezem door de puinhoop van ons zorgstelsel te halen. Dit vraagt wel een frisse groep mensen die de schouders eronder wil zetten. Die de boel een beetje durft op te schudden en die – als Peter van der Vorst en zijn team – de kunst van het verleiden tot ‘loslaten’ verstaat.