Simpel en zinvol

Windows sluit je af via de startknop. Als je een document wil scannen moet je kiezen voor ‘weergeven en afdrukken’. Als je een verzekering wil afsluiten moet je heel erg goede ogen hebben voor de kleine lettertjes……. Wat ik maar zeggen wil: we maken het met z’n allen niet bepaald eenvoudig. Want, waarom zou je het makkelijk doen als het ook moeilijk kan?

Deze week kreeg ik een paar indrukwekkende lesjes in ‘simpel’ denken.

Het begon met mijn kleindochter, Noa (5 jaar). Zij vertelde dat er op school druk werd nagedacht over het antwoord op de volgende vraag: Hoe komt toch het paard van Sinterklaas op het dak?

Als opa moest ik zo nodig een duit in het zakje doen. Ik opperde de mogelijkheid dat het paard van Sinterklaas wellicht vleugels had, net als de paardjes van My Little Pony. Waarop Noa mij duidelijk maakte, dat dat onzin was, want dan zou je de vleugels moeten kunnen zien. Ook de optie dat Sinterklaas daarvoor een helikopter zou kunnen gebruiken werd snel van tafel geveegd: zo’n groot tuigje was er toch niet!

Ik besloot dankbaar gebruik te maken van de escape die Noa mij bood: ze hadden er op school een brief over geschreven. Aan Sinterklaas. En als zijn antwoord er was, zo spraken wij af, zou Noa het mij vertellen.

Een dag later was ik op een inspirerende ontmoeting, georganiseerd rond de doorontwikkeling van het Centrum voor Jeugd en Gezin in de Middelseegemeenten (Fryslan). Aanwezig waren raadsleden, wethouders en bestuurders tot en met uitvoerende professionals. En de meesten van hen ook gewoon (o)pa of (o)ma. Ik zag mijn kans schoon, en lei de zaal het prangende vraagstuk van Noa voor. Met het verzoek om suggesties voor een passend antwoord.

Die avond kreeg ik van een van de deelneemsters het verlossende antwoord gemaild. Zij had de vraag thuis voorgelegd aan haar drie dochters (8, 6 en 4 jaar oud). Deze hadden – welhaast meewarig en verontwaardigd tegelijkertijd over zoveel domheid – geantwoord: “Maar mam, weet je dat dan niet? Het paard neemt een flinke aanloop en springt dan het dak op.” Van Noa kreeg ik de volgende dag de bevestiging van deze een eenvoudige als toereikende verklaring: het antwoord dat Sinterklaas aan haar klas had geschreven was van gelijke – en meer dan bevredigende – strekking. Hoe simpel kan het zijn!

Later die week, tijdens een bijzonder inspirerende ontmoeting die collega´s van Radar Advies (Amsterdam) organiseerden in het kader van de Week van de Armoede, volgden meerdere van die simpele en ontnuchterende levenslesjes. Mij en mijn collega´s aangereikt door verschillende deelnemers aan allerlei maatschappelijk relevante (activerings)projecten.

Zo was daar Jeannet Tel, een bijstandsmoeder die in Geleen de meer dan succesvolle speelgoedbank ´De Grabbelton` runt. Zij klaagt niet over het feit dat zij moet rondkomen van een bijstandsuitkering. “Ik ben rijk, dankzij al die lachende kinderkopjes en blije ouders die hier de deur weer uitgaan.“ Nee, wat haar zorgen baart, is het feit dat het succesvolle particuliere initiatief de nek om gedraaid dreigt te worden, omdat de gemeente vindt dat zij aan haar sollicitatieplicht moet voldoen.

Met even zoveel woorden spraken Erna en Frank, de drijvende krachten achter Stichting de Achtertuin (DAT, Rotterdam) zich uit. Frank en Erna willen helemaal geen betaalde baan meer. Nee, wat zij willen is gewoon een beetje medewerking van instanties. “Geen subsidies, want als je die weg moet bewandelen, dan dooft je vuurtje vanzelf. En dat is precies de reden waarom je beter gewoon je ding kunt gaan doen. Subsidie als uitgangspunt maakt in ieder geval meer kapot dan innovatie lief is, dat weet ik wel.“

Zij allen logenstraften met verve het pleidooi van het SCP dat ik eerder die dag via een collega ontving. Dat pleidooi bezwoer om het begrip ´armoede´ niet zo ver te willen oprekken dat ook sociale uitsluiting er onder valt. Saillant detail: Om armoede te beschrijven gebruikt het SCP overigens ook zelf twee grenzen. De laagste grens toont aan hoeveel mensen te weinig geld hebben voor een minimaal pakket noodzakelijke goederen: voedsel, kleding, huisvesting en persoonlijke verzorging. De hogere grens houdt daarnaast rekening met bescheiden uitgaven voor recreatie en sociale participatie.

Armoede, zo werd mij duidelijk, is een term die bedacht is door mensen met (veel) geld (om de de term ´rijk´ te vermijden). Want tijdens deze avond heb ik mij meerde malen afgevraagd wie er nu eigenlijk ´arm´ is en wie ´rijk´. Arm ben je, of wordt je, als je niet meer meetelt of (mag) meedoen. En ja, een beetje geld maakt dan wel makkelijker.

Voor een volledige weergave van deze inspirerende bijeenkomst is deze blog te kort. Maar de daaruit te trekken les wil ik u niet onthouden: de systeemwereld kannibaliseert de leefwereld! Voor degenen die dat hebben gemist: de leefwereld is de wereld van alledag waarin wij ons werk doen, kinderen opvoeden, koken, liefhebben, ziek zijn en de wereld leefbaar houden. De systeemwereld is de wereld van regels, de voorschriften, de indicaties, de verordeningen, de subsidies, de vergunningen, de premies, en de tegemoetkomingen. Rationalisaties die onlosmakelijk met de verzorgingsstaat verbonden zijn.

Wat de samenleving nodig heeft, is echter niet een overheid die burger ‘ontzorgt’, het initiatief overneemt of zelf ‘burgertje gaat spelen’. Ook niet een overheid die burgers naar zich toetrekt om deel te nemen in die eindeloze reeks van participatietrajecten waarin de burger de overheid gratis en voor niets mag adviseren. Wat wij nodig hebben is een nederige overheid. Een overheid die naar de burger toe gaat en met de hoed in de hand vraagt hoe hij belemmeringen kan wegnemen voor de eigen initiatieven van burgers. Dat is verschrikkelijk simpel, en tegelijkertijd onvoorstelbaar zinvol.

Advertenties

Anpakk’n

De man die naast hem aan de bar plaatsnam, kwam hem bekend voor. Een relatie van zijn vader, meende hij. Toen hij begon te spreken, wist hij ook zijn naam weer: Van Delft. “Vannacht slaap je voor de verandering weer thuis, Michael. En morgenochtend, uiterlijk zes uur, meld jij je bij mij, op de werf. Je weet waar die is; je was er al eens met jouw vader. Wat is je mobiele nummer?” Overdonderd door de directheid dreunde Michael zijn telefoonnummer op. “Zes uur dus; en geen minuut later”, bromde de man nogmaals, en verdween weer.

…..

Thuis slapen, vannacht? Zijn ouders hadden hem de laatste tijd juist de toegang geweigerd. Omdat hij dagelijks bezopen thuiskwam en, om dat te kunnen betalen, geld en goederen pikte. Van Delft had echter zeer beslist geklonken. Hij dronk zich moed in, toog naar huis en trof zijn vader. Zijn moeder lag al op bed. Dorst de confrontatie schijnbaar niet aan. Gesproken werd er niet of nauwelijks. Zijn kamer en bed waren onveranderd.
…..

“Ben je potdorie helemaal besnuffeld. Waar blijf je? Tien minuten na nu! D’r zitten hier mensen op jou te wachten man. En dat kost geld.” Verdwaasd en verbaasd keek Michael naar zijn mobieltje. Zes uur! Wat een tijd.

Voor zijn gevoel had hij zich allen even omgedraaid. Maar volgens de man aan zijn bed, Van Delft – hoe die daar kwam – had hij alweer een kwartier van zijn tijd verdaan. “Wat denk je wel. Er is op je gerekend. Hier, je broek en je trui, en meekomen.”

…..

Dat alles was een paar maanden geleden. Nu heeft Michael, bijna negentien, een contract bij Van Delft, een grond- en aannemingsbedrijf. Zijn eerste ‘diploma’, het Veiligheidscertificaat, heeft hij ook al. En net, nu als alles beter lijkt te gaan, dreigt wat hij verworven heeft, hem uit handen geslagen te worden. Over een week moet hij voorkomen. Voor een kraak van een maand of acht terug. Tijdens een van zijn pauzes vertelt Michael mij zijn verhaal.

“Ik was vijftien, en de school zat. Ik haalde de nodige ongein uit, en spijbelde. Natuurlijk, dat mocht niet. Dat vertelde school mij, vóór ze mij schorste. En de leerplichtambtenaar, die – hoewel direct op de hoogte gesteld – na een week of drie, vier contact zocht met mijn ouders. Maar toen was het kwaad eigenlijk al geschiedt. Thuisblijven kon niet, dat zou leiden tot vragen van pa en ma, of de buren. Dus ik hing zo wat rond, in de stad en op het station. Daar werd ik op een dag aangesproken door een man. Of ik wat wilde bijverdienen, vroeg hij. Nou, kort en goed: ik met die man mee. Bij hem thuis aangekomen begon hij wat aan me te plukken. Vervelend, maar hij kreeg mij wel zijn bed in. Prettig was het niet, maar hij betaalde goed.

De dagen en weken daarna verdiende ik zo aardig wat bij. Het klote gevoel dat ik daarbij kreeg, dronk ik eerst weg met een biertje. Op één van die dagen ontmoette ik Jaap, een gozer die zich ook verhuurde. Hij bood mij een joint aan. En die smaakte! Zo begon ik te klooien met drugs. Een dure ‘hobby’ waarvoor de hoer spelen na verloop van tijd niet meer voldoende was. Zo ging het van kwaad tot erger. En bij een van de laatste kraakjes ben ik opgepakt. Ik was nét 18!”

Op mijn vraag, of hij geen hulp had gezocht of gekregen volgde een schampere glimlach. Zorg was hem meer dan genoeg aangeboden. Tenminste, in het vooruitzicht gesteld. “Op school was er een soort van zorgteam. Daar is mijn ‘geval’ besproken. Toen ik na mijn schorsing niet meer terugkwam op school, werd mijn dossier doorgestuurd naar een of ander interventiekluppie. Dat was een dikke maand na mijn schorsing Thuis was er altijd gezeik en gedonder. Want van mijn ouders moest mijn school afmaken, terwijl ik daar geen zin in had. Na verloop van tijd mocht ik ook niet meer thuiskomen. Een goedkoop hotelletje, een maatje van de straat, een klant; zij boden mij regelmatig onderdak.

Het interventieteam oordeelde een paar weken later dat mijn problemen veroorzaakt werden door mijn drugsgebruik. Dus werd ik verwezen naar de verslavingszorg. Die meende echter, dat er sprake was van psycho-sociale problemen. Bovendien, ik was nog geen achttien; dus jeugdzorg was meer aangewezen. Daarvoor moet je naar Bureau Jeugdzorg. Het duurde even voor ik daar terecht kon.

Intussen hadden mijn ouders, ten einde raad, ook hulp gezocht; bij Bureau Jeugdzorg. Ze hadden aangedrongen op een maatregel. Want zij zagen er geen gat meer in. Dus stuurde Bureau Jeugdzorg mij een uitnodiging voor een kennismakingsgesprek. Wat ik een week eerder al had gehad! Ze wisten daar echt niet wie met wie contact had! En waarschijnlijk ook niet waarom.

Nou ja, uiteindelijk werd ik inderdaad onder toezicht gesteld. Bureau Jeugdzorg besloot vervolgens dat ik het beste opgenomen kon worden in een of ander behandelgroep. Die groep echter kende een wachtlijst. Toen er na vijf maanden eindelijk plaats kwam, mocht ik toch niet komen: vanwege mijn drugsgebruik. Alsof ze dat vijf maanden eerder niet al wisten!

Van de drank en de drugs ben ik uiteindelijk eigenlijk heel simpel afgeraakt. Als je elke ochtend om vijf uur je bedje uit moet – of wordt gehaald, als je er niet bent – dat red je niet, als je alle avonden doorzakt. En na een dag van hard werken, was ik ’s avonds te moe om nog even weer de stad in te gaan.

“Kijk”, vertelt hij, “eigenlijk was er niet zoveel mis met mij. Voordat ik ging spijbelen ging het thuis eigenlijk best goed. Mijn moeder is een best wijf, en mijn vader een prima kerel. Ik was de school gewoon zat. En Van Delft bereikte op die dag meer dan al die anderen. Hij deed, wat anderen nalieten: anpakk’n!”

Als je de cliënt centraal stelt, staat hij altijd in de weg

De rode draad in mijn werk zijn mensen en inspirerende ontmoetingen en gesprekken met hen. En daarom is het de moeite waard om wie je ontmoet en wat je aan hen ervaart, met aandacht tegemoet te treden. Zo bleek mij ook afgelopen week weer.

Ik had – in het kader van een lopende opdracht – een inspirerende ontmoeting met een vertegenwoordiging van een WMO-gebruikersraad. Wij spraken onder andere over de conclusie dat het succesvol implementeren van het eigenkracht denken en het daarbij behorende uitgangspunt van cocreatie vraagt om innovatie van het begrip ‘cliënt’.

Een opmerking van één van mijn gesprekpartners inspireerde mij tot het schrijven van dit artikel. Hij stelde op een gegeven moment de volgende vraag: “Voor wie is “de cliënt centraal” nu eigenlijk belangrijk? Iedereen eigent zich met trots dit concept toe. Maar,” – zo vervolgde hij – “Als je de cliënt centraal stelt, staat hij altijd in de weg, zeker wanneer er (te) veel organisaties of hulpverleners zijn. Dan ervaart de cliënt dat als druk, te vol en te confronterend.”

Wij gaan er graag prat op dat er in het buitenland met veel bewondering wordt gekeken naar ons zorgstelsel. Argumenten daarbij zijn dan dat het stelsel zo toegankelijk is, kwalitatief hoogstaand en doelmatig. Maar de verbazing waarmee datzelfde buitenland spreekt over het heilige geloof in het marktdenken als volgende verbeterstap voor ons zorgstelsel wuiven we (te) snel weg.

Tot halverwege de 19e eeuw wàs de zorg een nagenoeg vrije markt. Iedere kwakzalver kon zich dokter noemen en dokters waren vrij om zelf hun prijzen vast te stellen. Maar naarmate de medische wetenschap vorderde werd het steeds belangrijker om het kaf van het koren te scheiden. De vrije markt werd een zorg. Om het voor het publiek mogelijk te maken om de kwaliteit van de dokters te beoordelen werd in 1865 de Geneeskundige Staatsregeling getroffen die de toetreding tot het medisch beroep voorbehield aan dokters met een universitair diploma.

Met de toenemende prestaties van de geneeskunde werd het ook steeds belangrijker gevonden dat iedereen daar, ongeacht koopkracht, toegang tot kreeg. Eerst werd via de oprichting van diverse verzekeringsfondsen getracht via onderlinge pooling van risico’s de toegang tot de steeds duurder wordende gezondheidszorg te waarborgen. Maar omdat deze vrijwillige verzekeringsmarkt kon geen afdoende garantie bood op een betaalbare verzekering voor mensen met een laag inkomen of een hoog ziektekostenrisico werd collectieve financiering noodzakelijk. En daarmee begon de onstuitbare opmars van de overheid in de financiering en organisatie van de gezondheidszorg. Inmiddels gaat anno 2012 14 procent van het nationaal inkomen op aan zorg, dat groeit rap naar de 17 procent en zal uitkomen op 20 tot 25 procent als er niks gebeurt. En dus werd met veel bombarie in 2005 marktwerking binnengehaald als de panacee voor de vermeende problemen in de zorgsector. Ondanks het feit dat Nederland een zorgsysteem had dat goedkoper en gemiddeld beter was dan hét voorbeeld van marktgestuurde zorg (Amerika), heeft de overheid gemeend het solidariteitssysteem te moeten ontmantelen, om er een marktgestuurde sector van te maken.

Natuurlijk, er moet iets gebeuren aan de almaar oplopende kosten voor de zorg. En ongetwijfeld kan de zorg beter georganiseerd worden. Maar alles wijst erop dat marktwerking daarvoor niet de goede weg is. Als de markt wordt losgelaten op de zorg, zal die ook als een markt gaan werken. Dat is ongewenst, want de zorg is geen markt. De cliënt is geen consument in de klassieke zin van het woord. Het is iemand die (tijdelijk) behoefte heeft aan ondersteuning en/of zorg. Hij of zij is daarbij enerzijds afhankelijk van de deskundigheid van een professional, maar anderzijds is die professional voor het welslagen van een interventie of aanpak ook afhankelijk van diezelfde cliënt. Dat maakt de cliënt minimaal ook tot medeproducent. Het omdenken van het mankement-denken naar het eigenkracht-denken sluit hierop aan, maar zal uiteindelijk ook onvoldoende effect hebben als wij hieraan niet een omslag van cliëntvriendelijke naar cliëntgestuurde zorg koppelen.

Veel zorgorganisaties zijn druk met het verbeteren of versterken van hun cliëntgerichtheid. Er worden trainingen georganiseerd, er worden visies, missies, waarden en normen ontwikkeld die (de vraag van) de cliënt centraal stellen. Alhoewel de concepten die de cliënt centraal stellen sterk uiteenlopen in impact en effect, kunnen zij over het algemeen worden samengevat als ‘cliëntgericht’. En daar gaat het mis. Waarom? Een onderscheid naar cliëntvriendelijkheid, cliëntgerichtheid en cliëntsturing biedt hierin helderheid.
1. Natuurlijk is het is van belang dat de cliënt correct te woord wordt gestaan en begrip ondervindt voor zijn vragen en problemen De ‘bejegening’ van de cliënt – cliëntvriendelijkheid – staat dus niet ter discussie, maar is ‘slechts’ een eerste stap.
2. Het zo organiseren van de primaire en secundaire processen dat het een goede dienstverlening aan cliënten word bevordert – cliëntgerichtheid – is de volgende stap.
3. Het door de cliënt gewenste resultaat is vervolgens niet alleen het belangrijkste oriëntatiepunt, maar ook het centrale sturingspunt. Het gewenste resultaat dient het gedrag van cliënt en professional (= de wederzijdse bijdrage aan de te leveren diensten èn attitude) te bepalen. Dit vraagt om een cliëntgestuurde aanpak.

De cliëntgestuurde zorg voorziet in een structuur en cultuur waarin cocreatie de grootste prikkel is voor alle betrokkenen. Constante en gestructureerde feedback van cliënten en professionals is daarbij noodzakelijk om tijdig te kunnen bijsturen. Bovendien moet de inzet van beiden erop gericht zijn om die bijsturing efficiënt te laten verlopen. Het management geeft daarbij de kaders aan, maar treedt terug als regelaar. Dit vraagt om het zo zoveel als mogelijk leggen van verantwoordelijkheden in het primaire proces. Waarbij niet primair de professional, maar de cliënt in de lead is en professionals in staat zijn om zich door de cliënt te laten sturen.

Zo filosoferend dient zich het concept van cliëntgestuurde teams aan: zelforganiserende teams die zich zowel in de realisering en ontwikkeling van de dienstverlening als in de beoordeling van de teamleden laten sturen door structurele cliënteninbreng c.q. cliëntparticipatie. Daarvoor moeten de teams uiteraard wel over voldoende regelruimte beschikken.

Zo kunnen cliëntgestuurde teams en structurele cliënteninbreng de bouwstenen worden waarmee het concept van eigenkracht denken op een juiste wijze vorm kan krijgen. Het verder vormgeven van cocreatie met cliënten op het niveau van meebeslissen en zelfbeheer vraagt op termijn wellicht zelfs om het schrappen van het woord ‘cliënt’.

Alles wat je aandacht geeft groeit

• Als je focust op problemen, vind je nog meer problemen. Als je focust op succes, vind en creëer je meer succes (vrij naar Mac Odell)
Nu alle politieke partijen hun programma’s hebben gepresenteerd, wordt duidelijk dat zorg een van de belangrijkste onderwerpen in de verkiezingsstrijd en de formatieperiode daarna zal worden. Belangrijke opgave is het voorkomen dat de kosten tot nog grotere hoogte opdrijven. Het antwoord dat wij in veel verkiezingsprogramma’s terugvinden wordt gekenmerkt door beheersdenken. Maar het beheersdenken voldoet niet (meer) om mens en gemeenschap vitaal te houden.

Een collega uit het vertelde mij onlangs het verhaal van Willem, een vijftienjarige knul. Willem,” vertelde hij, “werd bijna dagelijks uit de klas gestuurd vanwege wangedrag. Hij moest zich dan melden in het speciale straflokaal bij een daarvoor aangewezen medewerker. Omdat het geen verandering in het gedrag van Willem werd geconstateerd volgde op een zekere dag het besluit om Willem definitief van school te sturen. Alvorens dit aan de ouders van Willem te berichten, besloot het schoolhoofd nog eenmaal met Willem te spreken. Hij opende het gesprek met Willem met een simpele vraag: ‘Het kan toch niet leuk zijn om elke dag uit jouw klas en les gestuurd te worden?” Waarop Willem het schoolhoofd duidelijk maakte dat deze de verkeerde conclusie trok: De enige plek op school waar ik aandacht krijg, is bij meester R. in het straflokaal….”.

Willems verhaal deed mij terugdenken aan mijn eigen jeugd. Als vijftienjarig jochie hield ik het niet uit in de schoolbanken. Dat had niets te maken met mijn(volgens onderzoek bovengemiddeld) intellect. Het was mij niet pragmatisch genoeg. En dus ging ik – zoon van een onderwijzer nota bene – werken. Bij Van der Valk. Omdat daar mensen waren die mij waardeerden om wat ik deed. Mij stimuleerden en uitdaagden.

Het verhaal van Willem appelleerde ook aan een verhaal dat ik onlangs vernam over een project voor langdurig uitkeringsgerechtigden (het granieten bestand) van de sociale dienst in Deventer. Die gemeente besloot om een tiental van hen nu eens niet langer in de nek te blijven hijgen met de sollicitatieplicht, maar met hen in gesprek te gaan over hun dromen. Zij vertelden, tekenden, schreven of verbeeldden hun dromen. Het – vooraf niet beoogde of verwachte – effect van deze aanpak: binnen een jaar waren zes van de tien deelnemers weer aan het werk! “Gewoon, door ‘aandachtig aanwezig’ te zijn,” zoals een deelnemer de houding van de begeleiders van deze bijeenkomsten omschreef.

De kracht van aandacht
Als je een restaurant binnenkomt, staat het welkom niet zelden borg voor het verdere verloop van de avond. Er is een groot verschil tussen warm, correct en helemaal geen welkom geheten worden. Die les leerde ik destijds als vijftienjarige al heel snel. En die wetenschap maakte mij vervolgens inventief en creatief. Van de oogst daarvan pluk ik nog elke dag.

Als u vaak kinderen om u heen hebt, zult u merken dat zij regelmatig vragen om bevestiging voor wat ze doen: ‘Kijk eens wat ik kan!’ Ondanks het feit dat sommige kinderen zich uitstekend alleen kunnen vermaken, willen zij toch graag dat u ziet wat ze doen en wat ze kunnen en dat u daar uw waardering voor laat merken. Aandacht voor hun activiteiten helpt hen het nog beter of mooier te willen doen. Aandacht is dus een belangrijke motivator. Dit geldt overigens niet alleen voor kinderen.

Onze cultuur staat bol van de prikkels, en steeds wordt gesuggereerd dat het geluk daar buiten te vinden is: in geld, mooie spullen, opwindende belevenissen, succesvol zijn. In de levens van jonge mensen, die zichzelf nog moeten leren kennen en nog allerlei keuzes moeten maken, zijn die prikkels nog krachtiger.

De verwarring van mensen over hun weg of rol in het leven – en het daaruit voortvloeiende ‘onaangepaste gedrag’ wordt vaak geproblematiseerd. Alsof er iets opgelost of behandeld moet worden. Terwijl er alleen maar aandacht nodig is voor wat er onder de twijfel zit: het verlangen om iemand te zijn. Mee te tellen.

Het is pijnlijk te zien dat er tegenwoordig al zoveel mensen – kinderen, jongeren en ouderen – buitenspel staan. Bijvoorbeeld omdat we jonge mensen problematiseren als ze twijfelen, een studie eraan geven, of verdrietig of opstandig zijn. Het heet dan dat ze ADHD hebben, of ADD, een autistische aandoening, een persoonlijkheidsstoornis of een depressie. En dan moeten ze behandeld worden: door een arts, psycholoog of met medicatie.

Voor veel sociale ellende bestaat een uitermate eenvoudig recept: aandacht. Odysseus wist al dat zorg en aandacht het begin zijn van rust, rechtvaardigheid en welvaart. Die boodschap is na een paar duizend jaar nog steeds onthutsend actueel. Want we doen wel eens alsof wij in onze tijd alles opnieuw moeten uitvinden, maar dat is pertinente onzin. Immers, wie kent niet het verlangen om te groeien, en de opwinding van de ontdekking over wie je nu echt bent, waar je goed in bent, waar je gelukkig van wordt?

Voor het bevorderen van het maatschappelijk klimaat, de sociale integratie en participatie bestaat volgens mij dan ook een onthutsend simpel en simpel recept. Het vraagt eerst en vooral om aandacht voor de mensen om wie het gaat. Niet, omdat het ons (anders) wat kost, maar omdat het hen en ons wat oplevert. Meetellen en meedoen geeft zin en energie. En het goede nieuws voor ons toekomstige regering is: investeren in persoonlijke aandacht kost niets of vele malen minder dan dat wat het oplevert!

Aandacht

Grote mond thuis
En in de klas
Alsof het nooit
Anders was
Geschreeuwd
Maar niet gehoord
Het blijft niet hangen
Geen enkel woord
Ruzie
Met iedereen
Altijd boos
En altijd alleen
Een keer straf
Dan zo weer vergeten
Alsof ze nooit beter
Zal weten
Verdrietig
Ook als ze lacht
Onbewust wil ze alleen
Aandacht

Sharon Rules

verjaren is…een boswandeling

ouder worden – jaar na jaar
is als lopen door een bos
waardoorheen vier seizoenen lang
wind en licht symfonieën orkestreren
over opborrelende en betoverende lentes
– waarin de levenskracht opwelt –
over zomerzwoele nachten
en poëtisch als het herfstbont
tot inkeer en zichzelf komen
om de winter te gebruiken als voedingsbodem
voor meditatie en ingetogenheid
de opmaat naar vernieuwde ontplooiing

het bos
waar schaduw beschutting biedt
of geluksgevoel versombert
waar je vogels hoort zingen
als in zorgeloze tijd
en waar wijsheid en geduld
in dauwdruppels glinsteren

waar de geur van bloemen en natte aarde
de herinnering of verwachting prikkelen
waar zonovergoten
– tussen boomkruinen door –
regen de transformatie overboogt
met een simpele en duidelijke boodschap:
om mij van de zonnige kant te kunnen zien
moet je de regen aan de andere kant accepteren

dat jij
als die regenboog in dat bos
met hart en ziel en herboren moed
vol verwachting dus
de deur mag openzetten
naar wat zich nooit voorspellen laat
de toekomt

en dat jij
als de wind en het licht in dat bos
mede de componist daarvan wilt en mag zijn

van harte

Maatwerk komt tot stand aan de keukentafel…

  • en niet in een anonieme kantoorkolos, ver weg van de dagelijkse werkelijkheid van mensen.

Er was grote euforie over de snelheid waarmee Rutte en Samson in september/oktober van dit jaar tot een regeerakkoord kwamen. Inmiddels is het debat over de regeringsverklaring achter de rug. De aanvankelijke euforie over het regeerakkoord heeft plaatsgemaakt voor zorg en verontwaardiging over het broddelwerk dat beide politici aan de basis van het kabinet Rutte II legden.

Zo vermeldt het regeerakkoord wel de uitgangspunten voor een geïntegreerde aanpak van de decentralisaties, maar blijkt datzelfde regeerakkoord de decentralisaties vooral te willen misbruiken voor een grootschalige bestuurlijke herindeling.

De aankondiging dat minister Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken (PvdA, BZK) de coördinerend bewindspersoon voor de decentralisaties binnen het sociaal domein wordt, spreekt in deze boekdelen. En ja, gezien de plannen om tot een andere bestuurlijke schaal te komen, ligt die keuze volslagen voor de hand. Wanneer wij echter kijken naar de inhoudelijke ambities die aan de decentralisaties ten grondslag liggen (het realiseren van een nieuw inhoudelijk fundament) is het volslagen kolder dat de minister van Binnenlandse Zaken deze coördinerende taak op zich neemt. In het regeerakkoord stond overigens ook dat de decentralisatie jeugdzorg op het ministerie van VWS zou worden gecoördineerd.

Ik merk dat de in het regeerakkoord aangekondigde maatregelen door de wispelturige houding van het kabinet tot veel vragen en ongerustheid leiden. Niet in de laatste plaats ook, omdat het kabinet zelf de betekenis en uitwerking vaak nog niet duidelijk heeft. En juist daardoor tegenstrijdige boodschappen afgeeft. Enerzijds spreekt het kabinet over meer beleidsvrijheid voor gemeenten, maar anderzijds shopt het kabinet bij de vormgeving van de daarbij behorende wet- en regelgeving langs gelegenheidsargumenten. Neem de van bovenaf opgelegde schaalvergroting uit het regeerakkoord.

In een interview op Radio 1 (maandag 19 november 2012) beweerde Plasterk dat onderzoek heeft aangetoond dat gemeenten toch minimaal 100.000 inwoners zouden moeten hebben om de (financiële) verantwoordelijkheden- en risico’s – verbonden aan de decentralisatieopgave – het hoofd te kunnen bieden. En dat is precies wat dit nieuwe kabinet wil.  In dit verband noemde Plasterk de gemeentelijke herindeling op Goeree-Overflakkee. Woensdag 21 november vonden de herindelingsverkiezingen daar plaats.

Op Goeree-Overflakkee worden 4 gemeenten samengevoegd: Dirksland, Goedereede, Middelharnis en Oostflakkee. Na de herindeling wordt het een van de omvangrijkste gemeenten van Nederland, met ruim 420 vierkante kilometer. Maar, er wonen slechts 48.000 mensen! Toen Plasterk daarmee geconfronteerd werd, bleken de uitkomsten van dat door hem aangehaalde onderzoek over de minimaal noodzakelijke schaal toch weer minder hard of maatgevend. En ja, een niet onbelangrijke nuance is dat ook in het regeerakkoord staat dat daar in plattelandsgebieden van kan worden afgeweken. Omdat anders sommige gemeenten qua grondgebied wel erg groot zouden worden. En je wel een regionaal logische samenhang moet houden.

Dit laatste klink weer logisch. Maar veel vertrouwen geeft het niet… Want het kabinet blijkt eigenlijk helemaal niet te weten wat het wil. Althans, als ik de uitkomsten van het eerste Bestuurlijk Overleg met minister Plasterk goed versta. In dat overleg is uitvoerig stilgestaan bij de onduidelijkheden en vragen die er over het regeerakkoord leven bij o.a. gemeenten en provincies. Die onduidelijkheden zijn nog niet weggenomen. “Maar,” – zo beloofde Plasterk – “Voor het einde van het jaar moet die duidelijkheid er wel zijn.” Waarmee hij de steeds luider wordende kritiek op het regeerakkoord (broddelwerk en bagger!) nog eens onderstreepte. Want die duidelijkheid had er natuurlijk moeten zijn toen de heren hun plannen smeedden.

En ondertussen zie je de panelen van de besluitvorming stilletjes aan verschuiven. Was het oorspronkelijke uitgangspunt dat elke individuele gemeente – groot dan wel klein – integraal verantwoordelijk is voor de decentralisaties van werk, jeugd en zorg en ondersteuning, inmiddels lijkt het keuzepalet al versmald naar 1) alleen 100.000+gemeenten, 2) centrumgemeenten of 3) samenwerkingsverbanden.

Men heeft kennelijk het idee dat grootschaligheid de bestuurskracht vergroot. Ik denk dat niet. In elk geval hangt bestuurskracht volgens mij van meerder factoren af. En ook idealiseer ik de huidige regionale samenwerkingsverbanden dan wel gemeenschappelijke regelingen geenszins.  Zij zijn democratisch gezien verre van optimaal, maar nochtans werkbaar.

Het grootste bezwaar dat ik tegen het denken in grootschaligheid heb komt echter van de burgers. Zij voelen zich verbonden met hun dorp of woongebied en willen niet opgaan in een groter geheel, dat hen vreemd is en hen niet kent. Deze identiteitskwestie is niet onbelangrijk. Want wat ook het ‘goede doel’ mag zijn, politici dienen met dit gegeven rekening te houden. Zeker als wij gemeenten serieus ruimte willen bieden voor maatwerk. En ja, ook – of misschien wel juist – gelijkwaardigheid van mensen dwingt tot maatwerk. Dat geldt ook voor de financiering. Het is leuk om bewust met kosten bezig te zijn alsofhet om je eigen portemonnee gaat. Zeker in tijden waarin niet alles meer als vanzelfsprekend mogelijk is.

Dus, zo houd ik het kabinet in het algemeen en meneer Plasterk in het bijzonder voor, doe alstublieft niet mee aan het grootschaligheidsdenken. Omdat dat de mensen en onze portemonnee eerder benadeelt dan ten goede komt.

 

Spreken met gespleten tong

Het Rijk spreekt met gespleten tong. Zij predikt decentralisatie en eigen kracht, maar doet aan centralisatie en beheersing. Als we nivelleringsdiscussies over zorgpremies en inkomensverdeling even laten voor wat ze zijn, zien we dat er in de plannen van Rutte en Samson nog veel meer weeffouten zitten.

De overheid decentraliseert. Een wezenlijk element daarbij is dat gemeenten veel beleidsvrijheid hebben om de uitvoering zelf vorm te geven. De logica van de decentralisatie en het principe van eigen kracht vraagt erom dat, wanneer de overheid taken in medebewind geeft aan lagere overheden, er ook ruimte ontstaat voor individuele verschillen. Aansluiten op de eigen kracht van mensen en gemeenten brengt immers met zich dat de uitvoering per gemeente en individu sterk kan verschillen.

Het centrale beleid vormt daarbij het beleidskader waarbinnen gemeenten moeten blijven, maar fungeert niet meer als het uitvoeringskader. Simpelweg, omdat de prioriteiten, kansen en bedreigingen plaatselijk en per individu kunnen afwijken van de landelijke dan wel het gemiddelde. In feite is er bij eigen kracht sprake van unieke dossiers. Kortom, overheidsdecentralisatie brengt met zich mee dat er – bij de vormgeving van ondersteuning – gebroken wordt met het gelijkheidsbeginsel. Het gelijkheidsbeginsel beperkt zich – in geval er behoefte of noodzaak aan ondersteuning blijkt – tot het gelijke recht op een op de eigen kracht ‘bijspringende’ dan wel ‘meelopende’ overheid. De aard, vorm en intensiteit van het ‘bijspringen’ of ‘meelopen’ mag c.q. moet vervolgens verschillen.

In veel – zo niet alle – gemeenten in Nederland wordt als gevolg van de aan de decentralisaties verbonden nieuwe ontwikkelingsruimte – een omslag van domein- (onderwijs, welzijn, zorg, arbeid, etc.) gebonden ondersteuning naar een meer gebieds- en persoonsgerichte ondersteuning.

Het rijk heeft kennelijk grote moeite met deze dynamiek. Dit moet ik – node – afleiden uit de sterk centralistische en beheersende stijl die is terug te vinden in de (concept) wet- en regelgeving die de decentralisaties moet gaan kaderen. Kennelijk bestaat de vrees dat de decentralisatie de eenheid van beleid ondergraaft. De realiteit is echter, dat het daaraan vasthouden in toenemende mate de ineffectiviteit en onbetaalbaarheid daarvan zal bewerkstelligen.

Eigen kracht vraagt om ruimte voor verschillen. Decentrale vrijheid om daaraan vorm te geven vraagt om een combinatie van heldere centrale kaders en een daarop gebaseerd toezicht. Een focus dus op het bepalen ‘wat’ er gerealiseerd moet worden, en ‘dat’ het gerealiseerd wordt. Het ‘hoe’ is aan de individuele gemeenten en hun inwoners.

Het streven naar decentralisatie wordt, blijkens het regeerakkoord, door het huidige kabinet met de mond en de geschreven letter – nog wel beleden: de ‘taken van het bestuur worden op een zo dicht mogelijk bij de burger gelegen niveau gelegd’ en ‘het aantal ambtenaren bij alle bestuurslagen wordt verminderd, onder meer door decentralisatie en taakverschuiving richting provincies en gemeenten.’ Tegelijkertijd meent het kabinet kennelijk dat in kleinere gemeenten het bestuur te dicht bij de burger staat. Immers, in hetzelfde kabinetsakkoord blijkt opgenomen dat het rijk er op inzet om de decentralisaties alleen nog voor 100.000+ gemeenten te laten gelden. Het nieuwe kabinet geeft daarmee een vreemde invulling aan het door haarzelf gepredikte principe van eigen kracht. Niet langer krijgen gemeenten van Schiermonnikoog tot Amsterdam dezelfde taken. Sommige taken kunnen alleen worden uitgevoerd door gemeenten met minstens 100.000 inwoners.

De voorstanders van deze inzet proberen deze keuze te verdedigen met de opmerkingen dat ‘dit de druk op kleine gemeenten om op alle vlakken te presteren verlaagt’. Je krijgt dan in feite twee soorten gemeenten: Grote gemeenten die een compleet takenpakket uitvoeren en kleine gemeenten in het landelijk gebied. Probeer dit principe is toe te passen op grotere en kleinere gezinnen…

Voor mij is de kabinetsinzet een ongehoord drukmiddel op meer en grootschaliger herindelingen. Als kleine of middelgrote gemeenten een volledig takenpakket willen uitvoeren, zullen ze moeten zorgen voor schaalvergroting. En daarmee slopen zij nu juist dat wat nodig is om het principe van eigen kracht tot volle wasdom te laten komen: nabijheid en herkenbaarheid. Deze principes laten zich nu eenmaal beter vorm geven in kleinschalige dan grootschalige omgevingen. In het regeerakkoord lijkt die les vergeten.

Een meer evenwichtige verdeling van de ondersteuning van burgers – klein en groot, jong en oud – bereik je niet door nivellering van en in de bestuurskracht, maar door exploratie van de verschillen. Deze vorm van bestuurlijke nivellering leidt af van de werkelijke inzet. Iedereen moet naar vermogen bijdragen. Om dat te bereiken moet je de mensen kennen en (h)erkennen. Dat vraagt om een daarop afgestemde schaal van organiseren. En het op passende wijze ondersteunen van hen die het slechtst af zijn.

Niet grootschaligheid, maar kleinschaligheid is daarvoor de best denkbare motor. Van energievoorziening tot verzekering, alles wordt kleinschalig en lokaal. We transformeren burgers daarbij van consument naar producent. Zo ook ontstaat bewustwording van eigenaarschap. De stap van eigenaarschap naar klinkende prestaties op basis van creatieve en innovatieve ideeën om dromen te laten uitkomen is én voor elk individu waardevol én – naar mijn stellige overtuiging – levensreddend voor onze economie.

Het is te hopen dat het kabinet dit gaat inzien en de – vanuit een zucht naar beheersing en nivellering ingegeven – begrenzers loslaat. Waardoor de uitkomst van de decentralisaties meer wordt dan de som der delen. Daarmee kunnen zij gemeenten inspireren en stimuleren om er uit te halen wat er in zit.