De container voorbij

dagelijks leven.png

  • Op zoek naar het gewone leven

Weet u het nog? Premier Balkenende, destijds de leider van dit land. Hij trad met zijn ’U kijkt zo lief’ de symbolische orde waar een leider zich bewust dient te zijn. Buiten de orde ook van de praktijk van gelijkwaardigheid die Nederland probeert na te streven.

Gelijkwaardigheid speelt ook een belangrijke rol in het samenspel tussen professionals binnen het sociaal domein en de inwoners die ondersteuning vragen. Zeker, als het gaat om tot een integrale aanpak te komen bij het vinden   en realiseren van oplossingen in de gecompliceerde situaties waarin oplossingen zich niet als vanzelf aandienen.  Waarbij wij ook nog eens moeten aansluiten op ‘het gewone leven’ van die mensen.

Het sociale domein is in beweging. Sedert 1 januari 2015 hebben gemeenten nieuwe taken op het gebied van zorg en sociale zekerheid. Er verandert hierdoor veel. De eigen verantwoordelijkheid en eigen kracht van inwoners en hun omgeving spelen hierbij een belangrijke rol. Iedereen moet meer voor zichzelf en voor elkaar (gaan) zorgen. Aansluiten bij de kracht van het gewone leven is het paradigma: gerichtheid op een taak buiten het probleem, het gewone leven meebeleven, het bijdragen aan het zich nuttig voelen van mensen die deel uitmaken van de samenleving. Daarbij zijn gelijkwaardigheid en ‘het gewone leven’ belangrijke waarden. Het zijn die waarden ook waarvan elke professional binnen het sociaal domein zich vermoedelijk wel bewust is. Maar wat betekent het in en bij ons doen of laten? Gelijkwaardig zijn betekent, ongeacht afkomst, status, opleiding of inkomen, gelijk zijn. In combinatie met ‘het gewone leven’ is dat best een uitdaging. Want, wat is ‘het gewone leven’?

In welhaast alle lokale en regionale kaders over het sociaal domein lees je het terug: Hulp die geboden wordt, is gericht op herstel van het normale leven van kind en gezin. Wie verder leest, vindt nagenoeg nooit een definitie van ‘het gewone leven’. Veel verder dan “De leefomgeving van de inwoner (huishouden, gezin, wijk, school, werk vrije tijd) is het fundament.” Of, “De nadruk ligt op normaliseren en niet op problematiseren,” komt een uitwerking zelden.

‘Het gewone leven’ wordt daarbij – ook door mijzelf – veelal als een containerbegrip gehanteerd. Een begrip zonder scherp afgebakende betekenis. Een duiding waaraan de lezer zelf nader invulling kan geven en dat op veel verschillende toestanden, gebeurtenissen of zaken wordt toegepast.

Het gewone leven is het patroon van gebruikelijke handelingen en bezigheden die in een bepaalde periode door de meeste mensen als voor de hand liggend beschouwd worden. Gebeurtenissen of daden die geen bijzonder karakter hebben en volgens een min of meer regelmatig ritme terugkeren. Daarin zitten evidenties als eten en slapen, zaken als het doen van het huishouden of de afwas, inspanningen als studeren en werken en ook courante ontspanningen zoals het nemen van vakantie of een etentje uit huis. Ook werk, seksualiteit en sport behoren in principe tot het gewone leven.

Zo beschouwd kan en zal het gewone leven van ieder mens ook weer heel erg verschillend zijn. Simpelweg, omdat de sociaal-maatschappelijk omstandigheden per individu of huishouden kunnen verschillen. Het wonen, het werken, de relaties, het inkomen, alles dus wat te maken heeft met mensen onderling en het eigen – door mensen en hun omstandigheden ingerichte en aangeduide stukje van de wereld waarin zij wonen en leven. Zo zal ook het leven en wonen in een stad, dorp of streek verschillen. Door de al dan niet meer pluriforme samenstelling. Door andere faciliteiten of mogelijkheden.

Het gewone leven, en wat daarbij belangrijk is, is voor ieder mens dus wat anders. En dat gewone leven zit daarmee barstenvol met situaties die je met geen mogelijkheid neutraal kunt beschouwen. Ook, al doe je nog zo je best. Dat ervaren ook de professionals die actief zijn binnen het sociaal domein.  Zij reageren verschillend op de dingen die ze meemaken. De een effectiever ook dan de ander. Vreemd is dat niet. Want elk van die professionals heeft ook zijn eigen normen en waarden. Heeft ook een eigen opvatting over wat ‘het gewone leven’ is. Bepaald door de eigen situatie.  Dat alles maakt het best lastig om aan te sluiten bij het gewone leven van anderen.

Natuurlijk, de professionals doen hun uiterste best om alles wat er in hun werkpraktijk voorkomt door een neutrale bril te bekijken. Desondanks heeft hun oordeel altijd een zekere mate van subjectiviteit. Gerelateerd aan en voortkomen uit het eigen referentiekader. Steeds zullen eigen normen en waarden een rol spelen bij de afwegingen die gemaakt worden.

Juist daarom is het van belang dat professionals binnen het sociaal domein leren om met een brede blik en een zekere onbevangenheid te kijken naar de situatie en de mensen met en voor wie zij werken. Met het risico dat het leidt tot een zekere opdringerigheid van antwoorden of oplossingen.

Een professional binnen het sociaal domein moet de bereidheid hebben de vraag van de inwoner vanuit diens invalshoek (sociaal‐ethisch en existentieel te bezien. Het vraagt om een professionele benadering in zorg en welzijn waarin het draait om de relationele afstemming van hulp en steun op wat goed kan zijn voor de unieke behoeftige ander. Dat vraagt om nabijheid en aandacht, het serieus nemen van de ander. Ook in zijn soms onbegrijpelijke gedrag. Aansluiten bij het gewone leven vraagt om radicale aansluiting en leefwereldgerichtheid. Om zorgzaamheid en het verlangen of appèl dat uitgaat van de ander. Aansluiten bij het gewone leven vraagt om een houding van mee willen lopen met de ander. De bereidheid ook om, als de situatie daarom vraagt – al dan niet tijdelijk – jezelf in te voegen in zijn of haar doen en laten.

Een dergelijke houding wijkt nogal af van wat we gewoonlijk zien in zorg, welzijn, dienstverlening en onderwijs. Het is ook de broodnodige correctie op de doorgeschoten verzakelijking en vermarkting van de zorg. Een correctie die ons niet alleen kan inspireren, maar ook kan laden met nieuwe energie. Niet alleen door zijn direct praktische toepasbaarheid, maar vooral ook door de eenvoud en wijsheid die eruit spreekt, De vraagstelling is: Wat kan er in het leven van alledag gedaan worden om een vastgelopen situatie weer vlot te krijgen? Wat kunnen professionals doen voor het herstel van het gewone leven? In de wetenschap dat het niet hun gewone leven is dat telt, maar dat van de ander. Dat namelijk, dat is het gewone leven: de container voorbij!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Over de schreef

lamant double.png

  • L’amant double – In therapie bij een tweeling

Chloé, 25 jaar, woont alleen, heeft geen contact met haar moeder, kent haar vader niet en was als kind ‘een ongelukje’. Ze voelt zich ‘leeg’.

Al in de eerste tien minuten van L’amant double (regie: François Ozon) komen we dat allemaal te weten als ze op aanraden van haar gynaecoloog een psychiater consulteert vanwege onverklaarde buikklachten. Die psychiater gaat vervolgens professioneel behoorlijk over de schreef als hij een verhouding met haar begint en met haar gaat samenwonen. Dan ontdekt Chloé dat haar geliefde een deel van zijn leven verborgen houdt. Hij heeft een tweelingbroer, die ook psychiater is, en die zijn patiënten heel ‘anders’ benadert dan zijn broer. Ook bij hem gaat Chloé in therapie, ook met hem begint ze een affaire.

Vervolgens ontwikkelt zich een thrillerachtig drama waarin (parasitaire) tweelingen, spiegelbeelden, erotiek en verlangen, macht en kinky seks mixen tot een semifreudiaans brouwsel. Dat alles gehuld in een bewust nogal steriel uitgevallen omgeving – zowel qua kleuren en aankleding als qua innerlijke zieleroerselen. Thematisch knoopt de film aan bij eerder werk van Ozon – wiens protagonisten vaak hun verbeelding nodig hebben om zich staande te houden in de werkelijkheid – en bij films van illustere voorbeelden als Brian De Palma, David Cronenberg en Alfred Hitchcock.

Als het slot sterker is dan de sleutel

sleutel slot 1.png

  • Een goed idee kan nooit een gesloten systeem binnenkomen

“Als een hamer het enige gereedschap is waarover je beschikt, ben je geneigd ieder probleem als een spijker te zien.” Dat was mijn reactie toen mij gevraagd werd of er wel voldoende focus was op het voorkomen van het uit huis plaatsen van jeugdigen. Want ondanks de transformatie binnen het sociaal domein is er sprake van een toename van ‘jeugdhulp met verblijf’ van circa 33.000 kinderen en jongeren in 2015 naar ruim 36.000 in 2016. Dit staat haaks op het juist zoveel mogelijk voorkomen van residentiële plaatsingen.

Op basis van deze cijfers is de gemakkelijke conclusie dat de opzet van de Jeugdwet, om hulp zoveel mogelijk thuis te bieden en bij uithuisplaatsingen kinderen en jongeren in pleeggezinnen te plaatsen, is mislukt. Ikzelf ben daar (nog) niet van overtuigd.

Ik zie en hoor steeds vaker de ambitie om deze kinderen in plaats van in een residentiële instelling in een gezinsvorm te laten wonen. Gemeenten en de professionals in de wijkteams doen er alles aan om de inzet van netwerkstrategieën te stimuleren en vroegtijdig de kracht van de gemeenschap te benutten, bijvoorbeeld in de vorm van steungezinnen. Hiermee willen zij het verergeren van problemen – en daarmee een deel van de uithuisplaatsingen – voorkomen. Kinderen – zo is het motto – groeien zoveel mogelijk thuis op, eventueel met de inzet van een steunnetwerk.

Dat er desondanks eerder sprake is van een stijgende dan dalende trend in het aantal uithuisplaatsingen ligt dus niet aan de visie of inzet. Geloof me, als ik zeg dat niet jeugdzorg faalt, maar het systeem (lees wet- en regelgeving en bureaucratie) die adequate jeugdzorg mogelijk moet maken. Ik noem een paar voorbeelden.

Wanneer een kind leer- of gedragsproblemen vertoont, focust men vaak te veel op de problemen of klachten. Men vergeet dan te kijken naar het ‘totale’ kind, en het kind in zijn omgeving. Dit wordt versterkt door het systeem.

Kern van het vaststellen van een aanspraak op jeugdhulp is dat er een in de persoon gelegen oorzaak is aan te wijzen. Als de genoemde problemen hun oorsprong vinden in omgevingsfactoren is er geen sprake van een grondslag voor Jeugdhulp. Tegelijkertijd weten wij dat de meeste genoemde redenen voor uithuisplaatsing en pleegzorg in ons land geen in de persoon van het kind gelegen factoren zijn. Pedagogische onmacht van de biologische ouders (47 procent), emotionele verwaarlozing (31 procent), fysieke verwaarlozing (24 procent) en verslavingsproblemen van de biologische ouders (22 procent) worden het vaakst genoemd als oorzaak. In 22 procent van de gevallen worden er andere redenen genoemd, bijvoorbeeld een echtscheiding of het overlijden van een of beide biologische ouders (Okma-Rayzner; 2006).

De wetgever heeft dit toch onderkend, zult u zeggen. In de jeugdwet immers is het familiegroepsplan als een belangrijk instrument opgenomen. Ouders en/of gezinnen hebben de mogelijkheid een familiegroepsplan op te stellen, samen met familie, vrienden en anderen uit de sociale omgeving van de jeugdige. In het familiegroepsplan staat welke problemen de jeugdige of het gezin heeft, welke hulp nodig is, en wie die hulp geeft. Ouders, familieleden of andere directbetrokkenen kunnen een familiegroepsplan maken. Op deze manier kunnen zij meedenken en helpen aan een oplossing. De grondslag daarvoor moet echter wel in de persoon van de jeugdige gevonden worden. Waardoor diezelfde jeugdige ook als de oorzaak en ‘drager’ van het probleem wordt geëtiketteerd. Een ‘gezinsindicatie’ is – wettelijk gezien – niet mogelijk.

Het onbedoelde en ongewenste bijeffect van dit alles is, dat bij de aanpak van de problemen de focus toch – meer dan gewenst – op alleen de jeugdige komt te liggen. Een effect wat vaak nog eens versterkt wordt door de meer product- dan resultaatgerichte inkoopsystematiek binnen de jeugdhulp. De oplossing of het antwoord op een de problemen is een vast omschreven product (jeugdhulp met verblijf, ambulante ondersteuning, enzovoort). Deze productbenadering focust vooral op de vraag of het voldoet aan bepaalde criteria. Ruimte voor een procesbenadering is er nauwelijks. Waardoor ruimte voor het ontwikkelen van capabilities binnen het gehele kindsysteem ontbreekt.

Anders dan wij met de stelselwijziging in de jeugdhulp beoogden, is onze zorg door dit alles nog te veel probleem- en te weinig omgevingsgericht. Binnen een omgevingsgerichte aanpak past een instrumentarium gebaseerd op besluit en toewijzing, indicatiestelling of verwijzing of behandelplan niet (meer). Zolang wij echter dat begrippenkader blijven hanteren kunnen wij niet succesvol transformeren.

Gelukkig wordt er desondanks binnen het sociaal domein door professionals volop geëxperimenteerd. Maar, zoals bestuurskundige Jan Kees Helderman het zo mooi formuleert: “Het ‘systeem’ werkt vaak niet mee. Dat kan echt beter.” (Zomernummer 2017 Zorg+Welzijn). Ik onderschrijf dan ook van harte zijn pleidooi: ‘Ga één keer per kwartaal met systeemwereld en uitvoering bij elkaar te zitten en bespreek elkaars werk, signaleer knelpunten en praat over wet- en regelgeving.’ Alleen door voortdurende interactie en reflectie tussen systeem en werkelijkheid kunnen wij de spanning tussen dromen en daden wegnemen. Als dat niet gebeurt, blijven de vele bloempjes die bloeien nog te veel ‘incident’. Als we betere, bij de praktijk passende systemen willen ontwikkelen, dan moet die praktijk worden ontsloten. Gebeurt dat niet, dan zal het slot altijd sterker blijven dan de sleutel die het moet openen.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Tolereer de liefde niet!

liefde mensen 1.png

  • Aanvaardt het verschil

Is liefde universeel? Ja, het komt overal ter wereld voor. Zij maakt ook geen onderscheid in gedrags- en identiteitsaspecten. Zo dacht en denk ik erover. Liefde kent veel verschillende facetten en uitingsvormen. Mensen die van mekaar houden kennen de volgende gevoelens: blij zijn met elkaar, meeleven met de ander, je goed voelen bij de ander, bewondering en respect hebben, de ander grappig vinden, ontroerd geraken door de ander, elkaar begrijpen, elkaar aantrekkelijk vinden…

Liefde tussen mensen ontroert (mij). Zoals ik deze week ook ontroert werd door het prachtige animatiefilmpje “In a Heartbeat”. Deze korte film, gemaakt door Esteban Bravo en Beth Davis, gaat over een homoseksuele jongen die op slag verliefd wordt op een schoolgenootje. Hij probeert zijn liefde te verbergen, maar zijn hart blijkt net een stuk sterker. Ik deelde het filmpje via een van mijn blogs (Inspirituals). Met als titel “Uit de kast”.

Toevallig werd er diezelfde dag in een televisie-interview over dat filmpje gesproken. Luisterend naar dat interview realiseerde ik mij dat de door mij gekozen titel “Uit de kast”, hoe goed bedoeld ook, eigenlijk heel ongepast was. Onbedoeld namelijk stelt zij de liefde tussen twee mensen van hetzelfde geslacht in een bijzonder hoekje.

Uit de kast komen, ook wel een coming-out genoemd (een verkorting van het Engelse coming out of the closet), is een uitdrukking die veelvuldig wordt gebruikt voor het moment waarop een homo, lesbienne of biseksueel ervoor kiest om openlijk voor zijn of haar seksuele geaardheid uit te komen.

Een coming-out wordt gezien als een gezonde stap in het proces van zelfverwerkelijking en in de kast blijven als een beperking en onderdrukking van de eigen persoonlijkheid. Deze negatieve lading is al vervat in de kastmetafoor: in de kast is het donker en benauwd, uit de kast is men vrij en in het licht. Uit de kast komen wordt vaak gezien als een politiek of persoonlijk statement en ertoe zal leiden dat de acceptatie ervan toeneemt. Uit de kast komen suggereert zo iets als ‘ik weet dat ik bijzonder ben’. Terwijl ‘wij’ – de Nederlandse samenleving althans – wil uitstralen dat liefde tussen wee mensen van hetzelfde geslacht net zo gewoon is (of hoort te zijn) als de liefde tussen mensen van verschillende sekse. Met hetzelfde recht kan dan ook beweerd worden dat ik (of wij)  met ‘uit de kast’ komen die ander als een buitenstaander positioneren en daarmee tot doelwit maken van discriminatie.

Als een jongen ‘op’ een meisje is, of andersom, en dit aan de wereld kenbaar maakt, dan spreken wij immers ook niet over ‘uit de kast komen’. Kennelijk, zo moest ik voor mijzelf vaststellen, denk en doe ik ook nog aan gender-discriminatie. De term betekent in de praktijk “de nadelige of bijzondere behandeling van een groep of geslacht of het geslacht van een persoon”. Veelal gebaseerd op het gedrag en onze houding jegens die groep of persoon, op basis van een clichématige opvatting.

Ik realiseerde mij dat mijn diep gevoelde aanvaarding van het universele karakter van liefde juist door mijn woord- en taalgebruik onbedoeld toch het karakter van ‘tolerantie’ droeg. Mijn nobele individuele inborst, die ervoor zorgt dat ik — op basis van welke criteria ook — bepaalde dingen ‘verdraag’.

Tolerantie is goed, ruimdenkend en nobel, intolerantie slecht, kleingeestig of kortzichtig. Maar ‘tolerantie’ – de bereidheid om andere mensen afwijkend te laten denken en handelen – suggereert ook iets van ‘gedogen’. Gedogen betekent geen toelaten, want dat zou op acceptatie kunnen lijken. Nee, gedogen houdt in dat we iets laten passeren hoewel we er niet gelukkig mee zijn: liever gingen we over tot een verbod, maar omdat een verbod niet haalbaar is, zien we bepaalde dingen door de vingers.

Het laatste dat ik wil is de liefde tussen twee mensen ‘tolereren’ of ‘gedogen’. Omdat het suggereert dat het niet normaal is. Terwijl ik die mening wel ben toegedaan en ook wil uitdragen. Ik heb dan ook de titel boven het stukje over ‘In a Heartbeat’ meteen vervangen door: Gewoon, liefde! Want dat is het: gewoon, liefde!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Een vleugje zout

salt.png

  • De pop van zout

Een pop van zout reisde vele duizenden kilometers over land en kwam uiteindelijk bij de zee. Gefascineerd keek ze naar de oneindige watermassa die volstrekt anders was dan alles wat ze tot nu toe had gezien.

“Wie ben je?”, vroeg de pop.

Glimlachend antwoordde de oceaan: “Kom binnen en zie zelf.”

Toen stapte de pop het grote water binnen. Maar met elke stap loste ze meer op en werd minder en minder, totdat er nog maar een heel klein beetje van haar over bleef. Net voordat het laatste restje verdween riep de pop verwonderd: “Nu weet ik, wie ik ben!”

Laat ze lekker klooien

sire jongen 4.png

  • Laat jij jouw jongen genoeg jongen zijn?

Opletten, stilzitten, niet naar buiten kijken, niet tikken met je balpen, niet wippen, niet dromen. Jongens mogen geen jongens zijn in de huidige maatschappij. Sterker, jongens worden beknot in hun ontwikkeling; ze moeten juist bewegen om iets te kunnen leren.

Hoe ga je als opvoeder met jongens om? Ravotten ze genoeg buiten en kunnen ze risico’s nemen? Mogen ze stoeien op straat en is het geen probleem als ze thuiskomen met een kapotte broek? Dat zijn enkele vragen die in de nieuwe SIRE-reclame worden gesteld. Krijgen jongens nog genoeg ruimte om jongens te zijn?

Ik herken de typering en de vragen. Weet ook – uit eigen ervaring – dat het keurslijf waarin wij kinderen menen te kunnen dwingen de originaliteit, creativiteit en empathie kan beknotten. Mijn mening over de nieuwe SIRE-campagne “Laat jij jouw jongen genoeg jongen zijn?” is mede daardoor wellicht gekleurd. Toch meen ik dat juist de kritische reacties op de campagne het gelijk ervan bewijzen.

Wij – de samenleving – denken en doen teveel in gemiddelden. En de aandacht voor een specifieke groep daarbinnen tast al snel ons gelijkheidsdenken aan. Laten wij vooral niet suggereren dat jongens anders zijn dan meisjes. Voor je het weet heb je een emancipatiefobie. Ja, toen wij begin van deze eeuw de meisjes volop in het zonnetje zetten, toen klopte het wel. Dat had namelijk alles te maken met de emancipatie….

Laat ik duidelijk zijn: ik ben voor gelijke kansen en mogelijkheden voor elk mens. Jong of oud. Van welke aard, geloof of kleur dan ook. En tegelijkertijd moeten wij een open oog hebben voor het feit dat- niet voor niets – de natuur ieder mens anders geschapen heeft.

Zo ook is het een gegeven dat jongens een andere biologische klok hebben dan meisjes. Zoals die klok ook bij jongens onderling weer kan verschillen. De ene jongen is nu eenmaal drukker en extroverter dan de andere. Eigenlijk veelt de natuur van kinderen geen stereotypering. Wat in meer algemene zin voor ons allemaal geldt.

Oog voor het verschil. Dat is wat de SIRE – campagne vraagt. Maatwerk  is  een  kreet  die  daarbij  regelmatig  gehoord  wordt.

Zolang  het  op  missie-visie  niveau  blijft,  schaart  iedereen  zich  daar vrij  eenvoudig  achter.  Dan  blijft  het  abstract  en  kan  het  geen  kwaad. Bovendien is het een containerbegrip dat al zo vaak gebezigd is, dat de geloofwaardigheid ervan niet heel groot is en de impact niet sterk wordt gevoeld. Maar, zodra het praktijk dreigt te worden, gaan mensen zich achter de oren krabben, of steigeren. Dan (b)lijkt het moeilijk, zo niet onmogelijk. Ja, op kleine schaal, of in een enkel geval lukt het…soms.. Maar niet over de hele linie. En zeker niet als rode draad, verweven met de vezels van onze samenleving.

Daarvoor zijn legio argumenten. Soms zelfs steekhoudend. En, laat ik eerlijk zijn, er zijn voldoende praktijkvoorbeelden die leren dat een maatwerk-benadering een utopie is.  Successen – en die zijn er – worden vaker als een ‘toevallig’ incident beschouwd. Bovendien, al dat ‘maatwerk-gedoe’ is lastig te beheersen. Als je het al zou willen, of áls je al mogelijkheden zou zien… Waarom zou je het dóen, wanneer je weet dat het je of een hoop extra werk of gezeur geeft?

Voor mij is het duidelijk waarom oog voor verschil mag en moet! Omdat ontwikkelingen in de samenleving vragen om mensen  die  weten  wat  ze  waard  zijn. Die zichzelf hebben mogen ontdekken. Die daardoor beschikken  over  zelfsturend  vermogen en  flexibel  zijn. Die in staat zijn zich te bewegen in een wereld waarin veranderingen aan de orde van de dag zijn, en blijven. Juist dat laatste vraagt ruimte voor avontuur. Want avontuur stimuleert het lerend vermogen. Dat laatste hebben wij nodig in een steeds sneller veranderende leef- en werkomgeving.

De theorie is prachtig. Maar dan de praktijk. Maatwerk blijft dan vaak voorbehouden aan risico- of zorgkinderen, met een gedragsstoornis, probleem in de thuissituatie, of een probleem als adhd, dyslexie enzovoort. Dat wat afwijkt van ónze ‘norm’ wordt – zoveel als mogelijk – gemodelleerd naar het gemiddelde. Uitgezonderd dan weer de kinderen die een uitzonderlijk (sport-, muziek-)talent hebben. Die hijsen wij op het schild ten voorbeeld voor al die ‘grijze muizen’ van kinderen.

Het gevolg van dit alles is dat wij – met de beste bedoelingen – een tweeledige boodschap afgeven. Je moet enerzijds uitzonderlijk zijn en tegelijkertijd is de nadrukkelijke boodschap: ‘Doe maar gewoon; da’s gek genoeg!’.

Die boodschap lijkt ook de teneur in de kritische reacties op de SIRE-campagne: De boodschap heeft misschien wel een kern van waarheid, maar om hem nu zo uit te vergroten….

Jongens – oké, niet alle – hebben behoefte aan actie, doen, experimenteren, uitzoeken, competitie, sporten, grenzen en regels zonder bla, bla bla. Op zich zou het toch niet zo moeilijk moeten zijn om hen daarvoor de ruimte te geven?

En de jongens die dat niet willen? Ook goed. Ze hoeven niet allemaal een Pietje Bel, Sietse of Hielke Klinkhamer te zijn!

Overigens, de SIRE – campagne is helemaal niet zo bijzonder als de kritische reacties willen doen geloven. Het is ook geen ‘uniek’ Nederlands probleem. Kijk maar eens naar de animatiefilm Alike. Sinds eind 2015 ging Alike de hele wereld rond. De korte animatiefilm werd voor net geen honderd festivals geselecteerd en sleepte op bijna de helft daarvan een prijs of vermelding in de wacht.

Laten wij dus wat meer de ogen dicht doen als jongens ze zich in het avontuur storten, duwen, trekken, de strijd aangaan en als viezeriken thuiskomen. Of een geweldige ‘poets’ bakken. Laten wij kinderen kinderen laten zijn! Of het nu meisjes zijn of jongens. Maar laten wij ook niet doen alsof dat een pot nat is! Bezorg ze gewoon een leuke, onbezorgde en spannende jeugd!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

Sterfbed van een koning

zonnekoning.png

  • La Mort de Louis XIV

Op 1 september 1715 sterft Lodewijk XIV van Frankrijk in zijn paleis in Versailles aan gangreen. In zijn verduisterde slaapvertrek is het tijdens zijn laatste dagen een komen en gaan van vertrouwelingen en artsen.

De mythische status van de Zonnekoning en diens fysieke lijdensweg komen samen in de memorabele vertolking door Jean-Pierre Léaud.

Met La mort de Louis XIV continueert de Catalaan Albert Serra een reeks radicale films, van Honor de cavallería (2006) tot Història de la meva mort (2013), die gekenmerkt wordt door een weldadig maar urgent gevoel voor literair-filosofische herschepping van historische onderwerpen.

Zijn iconoclastische benadering van cinema is schilderachtig mooi en humoristisch. Voor de eerste keer, en met succes, werkt Serra hier met professionele acteurs. De performance van icoon Jean-Pierre Léaud als de Franse Zonnekoning maakt de film tot een van de absolute hoogtepunten van het jaar.

In de duistere paleisvertrekken, door kaarsen belicht in een fraai Rembrandtesk palet, trekt een stoet aan gezagsdragers en hulpverleners langs het bed van de aan gangreen stervende vorst. Onmiskenbaar is hij nog altijd de machtigste man van een Europa dat met één voet – een pijnlijk rottende voet – in de moderne, rationele tijd stapt, terwijl de ander nog vastzit in het slijk der middeleeuwen. Of andersom.