Groep acht

groep acht.png

  • Eighth Grade

De dertienjarige Kayla (Elsie Fisher) zit in haar laatste schooljaar voor High School.

Thuis maakt ze inspirerende Youtube-videos, maar in het echte leven is ze vooral een onzekere puber die maar moeilijk aansluiting vindt bij haar leeftijdgenoten. Kayla wil niets liever dan zichzelf zijn, maar hoe doe je dat? Daar probeert ze achter te komen, terwijl ze navigeert langs pijnlijke zwemfeestjes, een vader die er helemaal niks van begrijpt, populaire pestkoppen en ongewenst avances.

Komiek Bo Burham vangt in zijn indrukwekkende regiedebuut de tijdsgeest en het jong zijn zó goed dat het lijkt alsof zijn script rechtstreeks uit tienerdagboeken gehaald is. Komisch, authentiek en (pijnlijk) herkenbaar voor iedereen die jong is geweest. Na de première tijdens het Sundance Film Festival, waar Eighth Grade de publieksprijs won, veroverde Kayla de harten van de bezoekers met haar naïviteit, kwetsbaarheid en onhandigheid. Burnham is een 27-jarige komiek die zelf als onzekere tiener bekend werd via YouTube, en die achtergrond zie je overtuigend terug in het verhaal van Kayla.

Advertenties

Het mysterie tussen zoon en moeder

continuer.png

  • Continuer

Gescheiden moeder Sybille kijkt machteloos toe terwijl haar tienerzoon Samuel de ene verkeerde beslissing na de andere neemt. Ondertussen worstelt ze met haar eigen problemen.

In de hoop beide levens een positieve wending te kunnen geven, besluit ze haar zoon enkele maanden mee te nemen op reis door Kirgizië. Samen met hun twee paarden trekken ze de bergen in waar ze geconfronteerd worden met de indrukwekkende natuur, de lokale bevolking en hun eigen kwetsbare relatie. Gebaseerd op het gelijknamige boek van de Franse filosoof Laurent Mauvignier.

Regisseur Joachim Lafosse vroeg zich toen hij het boek uit had meteen af of hij niet ook een soortgelijke reis met zijn moeder moest ondernemen. In plaats daarvan begon hij het boek te bewerken tot scenario. Een citaat van Jean-Bertrand Pontalis inspireerde hem: “There is a mystery between sons and their mother. A boy has a hard time linking the mother and the woman. We try to explain things, we talk about the body, desire, jealousy of the father, but it’s just a way of organizing our ignorance. The unanswered question is: what are our mother’s dreams?”

Lafosse staat garant voor kwalitatief hoogstaande Frans-Belgische arthouse. Het familiedrama Nue Propriété (2006), met Isabelle Huppert in de hoofdrol, vormt het voorlopige hoogtepunt uit zijn oeuvre. De rol van Sybille wordt vertolkt door Virginie Efira, die in Paul Verhoevens Elle speelde en in 2016 veel lof oogstte met haar hoofdrol in het subversieve In Bed with Victoria.

Wie spijbelt er eigenlijk?

spijbelen.png

  • De oplossing is er, maar wij verzuimen ze toe te passen

Minister Slob (Onderwijs) is ontevreden over aantal thuiszitters. Terecht, want er komen steeds weer nieuwe thuiszitters bij. En dus hebben de partijen van het thuiszitterspact (ministeries van OCW, VWS en J&V, VNG, PO-Raad, VO-Raad en Ingrado) afgesproken dat er versneld extra maatregelen komen. Om te voorkomen dat jongeren thuis komen te zitten, of om jongeren die toch thuis te zitten zo snel mogelijk weer het onderwijs in te krijgen. Klinkt allemaal heel verstandig en dapper. Och is het een gotspe.

In een land waarin wij leerplicht kennen voor jongeren vanaf 5 jaar, totdat zij een diploma (startkwalificatie) hebben of 18 jaar worden, moet thuiszitten onbestaanbaar zijn. Toch hebben er in het hele schooljaar 2017-2018 4479 jongeren langer dan drie maanden thuisgezeten. Volgens de officiële cijfers dan en een ‘enge’ definitie van het begrip ‘thuiszitters’. Het ministerie van OCW hanteert voor een thuiszitter de definitie ‘Leerlingen die ingeschreven zijn op school, maar langer dan 4 weken thuiszitten’. Daarnaast is er ‘absoluut verzuim’. Dat zijn leerlingen die wel leerplichtig zijn, maar niet op een school staan ingeschreven en dus niet naar school gaan. Een derde groep zijn leerlingen die zijn vrijgesteld van de leerplicht omdat ze niet in staat zouden zijn tot het volgen van onderwijs. Een vergeten groep van thuiszitters zijn die leerlingen die wel zijn ingeschreven, maar geen onderwijs krijgen en waarvan de school het thuiszitten gemakshalve ontkent. Omdat het óf wel zo makkelijk is, of omdat hun aanwezigheid en gedrag het aanzien van de school kan schaden. Het werkelijke aantal ‘thuiszitters’ ligt dus fors hoger.

Géén thuiszitters meer: dat was en is één van de belangrijke doelstellingen van de invoering van passend onderwijs.

Met de komst van passend onderwijs is de zorgplicht ingevoerd. Deze zorgplicht maakt de school waar een leerling is ingeschreven, verantwoordelijk voor plaatsing en het onderwijs van de leerling. Toch zeggen scholen regelmatig nee zeggen tegen ‘moeilijke’ leerlingen. Zoeken scholen uitvluchten om ‘moeilijke’ leerlingen niet aan te nemen.

Dat het niet altijd makkelijk is voor scholen en onderwijsgevenden om aan de zorgplicht te voldoen begrijp ik. Toch maakt het de uitvluchten niet terecht.

Hebben leerkrachten het ook zonder de komst van ‘moeilijke’ leerlingen dan al niet zwaar genoeg? De onderwijssector is immers al jaren koploper als het gaat om burn-outklachten. Een op de vijf mensen in het onderwijs heeft ermee te maken. Is dat verwonderlijk? Nee! Het onderwijsbeleid wordt steeds meer gedreven door een economische logica waarbij leerkrachten aangemoedigd worden om zo efficiënt en effectief mogelijk te werken en onderworpen aan meer controle en verantwoordingsplicht. Ruimte om les en aandacht te geven aan de leerlingen komt daarbij steeds meer in het gedrang. Zo is er minder ruimte voor het lesgeven en de leerlingen zelf, maar ook voor collegiale relaties en voor het privéleven van de leerkracht. Dit heeft een emotioneel belastende impact op leerkrachten en kan leiden tot burn-outklachten.

Toch meen ik dat wij het paard achter de wagen spannen, wanneer wij deze argumenten accepteren als verklaring voor het probleem van de thuiszitters. Als de disbalans tussen werklast en draagkracht bij de onderwijsgevenden het probleem is, moeten wij niet gaan tornen aan het onderwijsrecht van onze jeugdigen. Dan moeten wij de oorzaken wegnemen. Niet, door het bestaan van ‘moeilijke’ leerlingen te ontkennen, maar door de draagkracht van ons onderwijssysteem te versterken. Juist ook, omdat het de terugkerende dagelijkse problemen met gedragsmoeilijke kinderen zijn die hun burn-outklachten veroorzaken.

Overbelasting is een probleem dat niet uniek is voor het onderwijssysteem alleen. Er zijn veel partijen betrokken bij thuiszitters, ieder met zijn eigen complexe problematiek. De school, het samenwerkingsverband en de leerplichtambtenaar, regelmatig ook jeugdhulp en soms ook justitie. Zij werken allemaal hard aan het oplossen van hun eigen probleem. Zij werken samen zoals velen leven in de grote stad: samen eenzaam!

Onderwijs en Jeugdzorg vragen het Rijk om extra middelen. Beiden ‘claimen’ zo’n 750 miljoen per jaar tekort te komen. Gelden die nodig zijn voor meer en beter gehonoreerd personeel. Zelfs als het Rijk aan deze parallelle claims tegemoet zou komen: waar halen wij in onze overspannen arbeidsmarkt vandaag de dag voor anderhalf miljard nieuwe medewerkers vandaan?

Een passend antwoord op de problemen rond passend onderwijs en passende jeugdhulp is naar mijn mening te vinden als de betrokken ministeries, professionals en hun koepel- en vakorganisaties hun problemen op een hoop gooien en samen oplossen. Als zij nauwer samenwerken kunnen wij kleinere klassen met meer tijd en aandacht voor de leerlingen realiseren. Dan ook kunnen wij – samen met ouders – veel meer uitdagingen rond opvoeden en gedrag in de eigen leefomgeving van kinderen en jeugdigen op- en aanpakken. Wij kunnen dan meer kinderen uit de jeugdhulp gewoon thuis laten wonen en samen met hun buurtgenoten naar school laten gaan.

Kortom: laten wij samen een doorbraak forceren. Door de samenwerking tussen partijen kracht bij te zetten. Niet door elkaars spijbelgedrag te begrijpen en goed te praten, maar door de handen (en de portemonnee) echt ineen te slaan.

  • Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

De vrouw die denkt als een koe

temple.png

  • Temple Grandin: Autist tussen de dieren

Gedragsbioloog Temple Grandin is autistisch. Tot haar vierde kon ze niet praten en nog altijd ze heeft moeite met sociale relaties. Tegen alle verwachtingen in begon ze een wetenschappelijke carrière en groeide ze uit tot een beroemdheid die zich inzet voor een andere omgang met dieren én autisten.

Deze aflevering van Labyrint gaat  over Temple Grandin en haar nieuwe kijk op autisme en dierenwelzijn.

In het eerste deel van de uitzending wordt duidelijk dat onderzoekers decennialang met een tunnelvisie naar autisme gekeken hebben. Ze beschouwden autisme als een sociale stoornis en zagen daarmee over het hoofd dat de oorzaak van autisme wel eens op een heel ander vlak zou kunnen liggen. Eén van de wetenschappers die wel verder kijkt dan de sociale problematiek is psychologe Chantal Kemner van de Universiteit Utrecht. Zij richt zich in haar onderzoek op het deel van de hersenen waar visuele waarnemingen worden verwerkt: ‘Het lijkt erop dat autisme wordt veroorzaakt door een probleem met de waarneming. Een autist fixeert zich op details en verliest daardoor het zicht op het geheel. Dat overzicht is juist essentieel voor de ontwikkeling van sociale vaardigheden.’

Dat een nieuwe kijk op autisme hard nodig is, vindt ook Temple Grandin. Zij weet uit eigen ervaring hoe het is om overgevoelig te zijn voor visuele en auditieve prikkels. Ze raakt al afgeleid door een slingerend stukje plastic op de grond en raakt in paniek bij elk onbekend geluid. Grandin: ‘Ik denk dat de meeste onderzoekers zich niet kunnen voorstellen hoe het is om bij elke nieuwe prikkel de adrenaline door je lijf te voelen gieren.’

Haar overgevoeligheid voor sensorische prikkels heeft Temple Grandin niet alleen last bezorgd, het heeft haar ook succes gebracht. Als tiener ontdekte ze een grote verwantschap met koeien, die volgens haar op dezelfde manier reageren op hun omgeving als zijzelf. Sindsdien kijkt Grandin met een geheel eigen blik naar diergedrag en spoort ze boeren aan om met enkele simpele veranderingen het dierenwelzijn in hun stallen te verbeteren.

In het tweede deel van Labyrint laat Grandin zien hoe haar stalontwerpen de Amerikaanse vleesindustrie een zetje in de goede richting gaven.

Temple Grandin – Autist onder de dieren

 

Het ‘hoe’ telt.

wijkaanpak.png

  • Dé wijkaanpak bestaat niet!

„Jullie wonen op nummer 1 hè?” zegt mijn nieuwe overbuurman „Ja”, zeg ik. „Gezellig”, zegt hij. „Doen jullie ook aan tennis?” „Nee”, zeg ik. „Nee, tennis daar doen we niet aan.” Ik weet niet goed wat ik met het gelijkheidsdenken moet.

Het is een identiteitskwestie. Wie ik ben? Ik ben ik, en jij bent jij!

Een integrale en wijkgerichte aanpak volgens  de blauwdrukmethode werkt niet. Wat niet zegt dat je niet integraal en wijkgericht kunt of moet werken. Integendeel zelfs!. De integrale 1 Situatie 1 Plan aanpak moet stevig doorgevoerd worden . Zeker bij huishoudens en gezinnen waar meerdere uitdagingen tegelijkertijd spelen. Meer integrale arrangementen en minder versnippering in ondersteuning is de oplossing. Voorwaarde is wel dat de wijkaanpak aansluit op het karakter en de samenstelling –  de diversiteit aan bewoners – van de wijk.

Als er iets is dat de CPB-publicatie ‘De wijkteambenadering nader bekeken’ (januari 2019) laat zien, is het wel dat blauwdrukbeleid vaak anders uitpakt dan gedacht. Geen mens of situatie is gelijk. Dat weten wij sinds mensenheugenis. En als geen mens of situatie gelijk is, geldt dat ook voor een groep van mensen. Zij mogen veel overeenkomsten hebben, maar er zijn altijd verschillen. In relaties, in inkomen, in wonen en werk, in overtuigingen, enzovoort en zo verder. Zo ook verschillen wijken van elkaar. Natuurlijk, elke gemeenschap kent kenmerkende groepseigenschappen. Maar lid zijn of deel uitmaken van een groep of wijk maakt ons nog niet hetzelfde.

Overheden, organisaties voor welzijn en zorg en hun professionals, zij kunnen zich lastig losweken uit het gelijkheidsdenken. De wijkaanpak wordt onvoldoende ingevuld, ingelijfd en ingericht op basis van de bedoeling.

Zeker, steeds meer gemeenten pretenderen dat te doen en sieren die bedoeling met het etiket ‘opgavengericht werken’. Een sturingsfilosofie waarin ambtelijke flexibiliteit, het luisteren naar inwoners en het bereiken van maatschappelijke effectiviteit centraal staan. Maar het etiket dekt helaas zelden de lading.

In de praktijk blijkt opgavengericht werken het sturen vanuit hoofdopgaven, waarbij weliswaar de klassieke sectorale indeling is losgelaten en verantwoordelijkheden op basis van opgaven worden belegd, maar tegelijkertijd is bij alles wat gedaan wordt, de opgave leidend. Het is die invulling die ons binnen het sociaal domein vaak doet struikelen.

Als een wijkaanpak de opgave is, moet de wijk met de inwoners, de woningvoorraad,  het leefklimaat, de demografische opbouw van die wijk en de sociaaleconomische status van die inwoners ook vertrekpunt zijn. En dat vraagt meer dan het optisch afscheid  nemen van de klassieke sectorale manier van organiseren. Het vraagt ook om afstand te doen van oude principes die zich minder goed of niet verhouden tot de nieuwe werkwijze. Dat laatste is en wordt nog onvoldoende gedaan bij de vormgeving en uitvoering van de wijkteambenadering. Het gevolg is, dat er een scala van principes ontstaat binnen de uitvoering. Medewerkers raken hierdoor in de war of onzeker en kiezen de sturingsvorm die zij het meest wenselijk vinden. Het meest wenselijk blijkt dan vaak dat wat men al kent en deed. Zodat ze uiteindelijk weer eindigen waar zij begonnen: bij de klassieke en gekende antwoorden en aanpakken.

Natuurlijk hebben we allemaal in de afgelopen jaren goed gekeken en geluisterd naar de bedoeling. En we werken ook steeds meer vanuit de bedoeling. Focussen we op het ‘waarom’ en het ‘wat’. En steeds vaker voeren wij het gesprek over de vraag waarom we iets doen. En met welke bedoeling. Maar de succesfactoren voor echte transformatie ligt niet in overeenstemming over het ‘waarom’ en het ‘wat’. Dé succesfactor voor het welslagen van de transformatie, is juist het ‘hoe’!

Wanneer de wijkteamaanpak erin slaagt de werkwijze, de competenties van medewerkers, de teamsamenstelling en de samenwerking met inwoners en informele netwerken op een wijksensitieve wijze vorm te geven, zullen ze daadwerkelijk maatwerk kunnen leveren aan alle inwoners. Dan zullen zij  tijdig bereikt worden en kan de ondersteuning goed aansluiten bij hun leefwereld. Het aansluiten bij de inwoners is geen doel op zich. Het is een professionele vaardigheid die nodig is om te komen tot effectieve hulp. Dit is niet alleen in het belang van de inwoners, maar ook in het belang van de samenleving als geheel. Als opgaven niet effectief worden aangepakt zal die in de toekomst eerder groeien dan verminderen. Het verergeren van problemen of zelfs ernstige escalatie leiden uiteindelijk tot nog meer persoonlijk leed en meer en duurdere ondersteuning en zorg. Wijksensitief werken is in ieders belang, omdat iedereen gebaat is bij een effectieve, duurzame en betaalbare ondersteuning. Juist dat maakt wijksensitief werken geen blauwdruk. Afhankelijk van de lokale situatie en ambities moeten partijen het wijkteam vorm geven. Voorwaarde daarbij is ‘kennen en gekend worden’. Dat is geen doel op zich, maar een manier om informatie over het werkgebied en verbinding met inwoners te krijgen. Het kennen van het werkgebied (dorp, wijk of buurt), zijn inwoners, de problemen die er spelen of kunnen gaan spelen, de voorzieningen die er zijn, de instellingen en bedrijven die er zijn gevestigd, zorgt ervoor dat wij vroegtijdig kunnen signaleren, adviseren en – al dan niet samen met partners – interveniëren.

Bij kennen gaat het om ‘precies kunnen kijken’: om subjectieve, praktische en contextuele informatie over de wijk, die aanvullend aan of vooruitlopend op onze professionele kennis van welzijn en  zorg is.

Het gekend worden door inwoners, winkeliers, instellingen en bedrijven vloeit rechtstreeks voort uit de behoefte aan versterking van de maatschappelijke oriëntatie en lokale inbedding. Het opbouwen van een duurzame relatie met inwoners, het vergroten van de herkenbaarheid en het vertrouwen in professionals zijn sleutelwoorden. Kennen en gekend worden kan via huisbezoeken, via het onderhouden van contacten met bepaalde (probleem)groepen, via het bekende ‘praatje pot’ op straat, via deelname aan burgerinitiatieven en aan buurtnetwerken. De toegevoegde waarde van kennen en gekend worden wordt duidelijk zichtbaar als er moet worden opgetreden in specifieke situaties – al dan niet achter de voordeur.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden

Uit elkaar – en de school dan?

scheiden.png

Verus

Verus in Woerden is de vereniging voor katholiek en christelijk onderwijs in Nederland. Ruim 4000 scholen in het basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs en hoger onderwijs zijn aangesloten. Vanuit het hart inspireert, begeleidt en ondersteunt Verus bestuurders, toezichthouders, schoolleiders, docenten en ouders, zodat de kwaliteit van het onderwijs en daarmee het welzijn van kinderen en studenten verbetert, als dienst aan onze samenleving.

Over het thema school en scheiding maakte Verus een paar handige thema-video’s.

In- en uitschrijven van een leerling

Een gescheiden moeder wil haar kind op school inschrijven, maar ze heeft geen handtekening van haar ex-partner mee. Een vader komt met zijn vriendin naar het oudergesprek. Of de nieuwe partner van een ouder biedt aan bij schoolactiviteiten te helpen. Oh help, wat zijn uw rechten en plichten als school? Wie heeft recht op welke informatie?

Gebiedsverbod

Morgenavond ouderavond. Een moeder stapt woest uw kantoor binnen. Haar ex heeft een gebiedsverbod en rumor has it dat hij naar de ouderavond komt. Wat doet u?

De juristen van Verus wijzen u de weg. Zij speelden diverse situaties voor u uit. In dit filmpje: het Gebiedsverbod

Dit filmpje kwam tot stand met medewerking van Marjolein Triest en Dinja Becude-Voeten van SBO de Horizon.

Omgangsregeling

De ouderavond

Natuurlijke drift

schorpioen.png

  • De kikker en de schorpioen

Er waren eens een schorpioen en een kikker die elkaar ontmoetten. De kikker sprong altijd vrolijk rond op het land en was dan weer in het water en dan weer op het land. De schorpioen had dat allemaal zo eens aangezien en besloot op een dag eens een praatje te gaan maken met de kikker. “Zo, kikker,” zei de schorpioen. “Je hebt het nogal naar je zin, he?” “Ik mag niet klagen,” zei de kikker. “Kun je mij niet eens naar de andere kant van het water brengen?” vroeg de schorpioen. “Ik wil wel eens wat meer van de wereld zien. Kan ik niet eens een keer op jouw rug naar de overkant… dat jij me brengt… en ik op je rug zit?” “Ik weet het niet,” zei de kikker aarzelend. “Als we dan op de helft zijn, prik je me zeker en dan ga ik dood!” “Denk nu toch eens goed na,” zei de schorpioen. “Dat zou ik nooit doen! Als ik jou prik en jij gaat dood, dan verdrink ik ook. Dus, wat denk je, zullen we het doen?” De kikker dacht enige tijd na en zei: “In orde, dat klinkt logisch, kruip maar op mijn rug.” Zo gezegd, zo gedaan. De schorpioen kroop voorzichtig op de rug van de kikker en zo zwommen ze samen de sloot over. Ze waren nog niet halverwege toen de kikker plotseling een stekende pijn in zijn rug voelde. “Wat doe je nu?!” schreeuwde de kikker. “Nu ga je zelf ook dood! Waarom doe je dat nou?!” De schorpioen zei een beetje verlegen: “Ik kan het niet laten … Dat is mijn inborst, mijn karakter.”

Ook al lijken dingen soms logisch, logica is maar flinterdun. In basale situaties is ons karakter vaak sterker dan de logica en neemt het de sturing over. Ik moest bij dit verhaal denken aan onze klimaatproblemen: Waarom doen we niet dat wat logisch is?