Paal en perk stellen

knuppel

  • Als knuppel of zakdoek vrij spel hebben

Hoewel de media  nog wel eens anders willen suggereren, zijn gemeenten tevreden over hun sociale (wijk)teams. Zo blijkt uit een landelijke peiling onder Nederlandse gemeenten naar de stand van zaken rond de sociale (wijk)teams. Het merendeel van de gemeenten, 83 procent, beschikt over een of meer (wijk)teams. 78 procent daarvan is tevreden over de bijdrage van deze teams aan het realiseren van de doelen van de transitie. Tegelijkertijd gaan deze teams gebukt onder een hoge werkdruk en een toenemend aantal hulpvragers met complexe problemen. Gemeenten maken zich hier zorgen over.

De toegenomen werkdruk kent meerdere oorzaken. Zo is er minder tijd voor het werken aan preventie en zijn er langere wachtlijsten omdat de inzet op zwaardere casussen meer tijd vraagt. Maar de hogere werkdruk wordt ook veroorzaakt door – als gevolg van bezuinigingen – vermindering van het aanbod in de tweede lijn, waardoor de doorstroming stagneert. Belangrijker echter vind ik de vraag of en hoe de sociale (wijk)teams de juiste ervaren en gekwalificeerde mensen vinden. Het beschikken over de juiste kennis en vaardigheden heeft, zo leert mijn adviespraktijk, ook veel invloed op de ervaren werkdruk.

Jeugdprofessionals dienen namelijk over een aantal cruciale vaardigheden te beschikken. Naast analytische en schrijfvaardigheden is gespreksvaardigheid daarbij een van de meest wezenlijke. En aan gespreksvaardigheid lijkt het niet zelden te schorten. Met name, doordat professionals vaak heel goed kunnen engageren, maar het lastig vinden om te positioneren.

Engageren is de vaardigheid om jeugdige, ouders en andere betrokkenen te motiveren tot actieve medewerking. Positioneren is de vaardigheid om duidelijke grenzen te stellen aan de cliënt of het systeem waarvan de cliënt deel uitmaakt. Schakelen tussen deze twee vaardigheden blijkt voor menig professional een opgave.

Het eenzijdig benadrukken van een van beide aspecten leidt als snel tot problemen in de communicatie. Wanneer een professional zonder zich te positioneren te veel invoegt en aansluit op de cliënt en zijn/haar systeem, brengt dat het gevaar met zich dat de professional ‘ingezogen raakt’ en het zicht op het noodzakelijke positioneren verliest. Anderzijds kan er sprake zijn van een te sterk positionering, met het verlies van vertrouwen als gevolg.  Juist daarom ook moet de professional binnen het sociaal domein in staat zijn om voortdurend tussen deze twee vaardigheden te schakelen. Als knuppel of zakdoek vrij spel hebben, zijn verwarring en chaos troef. Met (ervaren) werkdruk als gevolg.

Voor veel professionals blijkt juist het stellen van grenzen een dingetje. Zeker binnen het sociaal domein is te zien dat mensen, vanuit goede bedoelingen, zo voortdurend hun grenzen verleggen en uiteindelijk over hun grenzen heen gaan. Dit kan tal van redenen hebben, maar de gevolgen van geen grenzen stellen zijn onmiskenbaar. Mensen staan minder stevig in hun schoenen en de kwaliteit van het werk wordt minder. Mensen zijn minder in staat om prioriteiten te stellen en raken soms het overzicht kwijt. En juist dat zijn werkdruk verhogende aspecten.

Juist hiermee zie ik in de praktijk van alledag professionals binnen sociale (wijk-)teams struggelen. Positioneren (lees: eisen stellen) beschouwen zij als iets voor daarvoor in het leven geroepen instituties: politie, jeugdbescherming, etc.  Gek eigenlijk, omdat dit vraagstuk ook doet denken aan een proces dat elke professionals kent en heeft doorgemaakt: Opvoeden. Ouders zijn, net als professionals, altijd op zoek naar de juiste balans tussen een aantal uitersten:

  • Controleren versus vrijlaten
  • Gericht op jezelf (als opvoeder) versus gericht op je cliënt
  • Streng versus toegeeflijk
  • Beschermen versus zelf laten ervaren
  • Star versus flexibel zijn
  • Consequent versus inconsequent zijn.

Feitelijk gaat het steeds over grenzen (durven) stellen. En dat betekent regels afspreken. Dit heeft niets te maken met onvriendelijkheid, maar alles met het geven van duidelijkheid. En daar is iedereen bij gebaat. Mag je dan als professional helemaal niet engageren? Natuurlijk wel. Maar je moeten er niet in doorschieten. Net zo goed als dat je niet moet doorschieten in het grenzen stellen.

Het is zorgelijk als kennelijk juist deze basale opvoedkundige vaardigheid ontbreekt bij professionele hulpverleners. Velen van hen zijn immers zelf ook vader of moeder! En, als het thuis wel lukt om de balans tussen liefde, geduld en wijsheid te praktiseren, waarom lukt dat dan niet bij het professioneel handelen? Of, moeten wij vrezen dat dit ook thuis steeds minder goed lukt?

Dit alles doet mij denken aan het boek ”De grenzeloze generatie” (Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2009; ISBN 978 90 468 0674 6; 285 blz.;) Een belangrijke conclusie van de schrijvers daarvan is, dat veel opvoeders de jeugdcultuur als vertrekpunt nemen. Die opvoeders hebben een soort dwangmatige behoefte om ”forever young” (altijd jong) te zijn. Als diezelfde opvoeders professionele hulpverleners worden of zijn, dan zal het nog verdraaid lastig worden om de werkdruk van professionals naar een verantwoord niveau terug te brengen. Professionals die alleen maar tof willen zijn en hun cliënten niet tot de orde durven roepen organiseren daarmee immers hun eigen tegenstand en oplopende werkdruk.

Het idee dat grenzen binnen de hulpverlening overbodig zijn, is een narcistische misvatting. Die grenzeloosheid moet ingeperkt worden en vraagt om (professionele) positionering. Mensen in nood hebben behoefte aan structuur en duidelijkheid. Daarom moeten professionals verantwoordelijk willen zijn voor zowel het engagement als de positionering. En, als dat nodig is, daarin de regie (durven) nemen. Dat zijn geen vrijblijvende zaken, maar zaken van wezenlijk belang. Ook voor de door professionals (ervaren) werkdruk.

Regels

  • zijn niet bélastend, maar ontlastend
  • voorkomen steeds dezelfde discussie
  • het scheelt daardoor veel tijd
  • bevorderen de sfeer
  • bieden veiligheid
  • geven houvast
  • stimuleren het zelfvertrouwen
  • brengen respect bij
  • leren rekening te houden met anderen
  • afwijken wordt ervaren als een beloning
  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Advertenties

Verkeerde aandacht

baard.png

  • De baard

Een leerling van een wijze meester had een eerbiedwekkende baard, waarop hij zeer trots was.

Een groot deel van zijn tijd bracht hij door in overpeinzing en beoefening van die dingen die het groeien van de wijsheid bevorderen, maar hij schonk ook een behoorlijk deel van zijn aandacht aan zijn baard die hij als een teken van grote waardigheid beschouwde.

Op een dag vroeg hij zijn meester: “Meester, kunt u mij zeggen waarom ik tot nu toe nog geen teken van spirituele vooruitgang ervaren heb? “

De meester antwoordde: “Je gedachten zijn te vaak bij je baard! “

De leerling was teleurgesteld en hij begon zijn baard haar voor haar uit te trekken, en bij elk haar dat hij had losgerukt van zijn gezicht verweet hij zich het feit dat hij zoveel aandacht had besteed aan zijn baard, tenslotte was een baard ook maar een vergankelijk iets.

Maar de tekenen van spiritueel ontwaken kwamen niet.

Weer vroeg hij zijn meester: “Meester, ik ervaar nog steeds geen enkele spirituele vooruitgang.”

Toen zei de meester: “Vroeger schonk je te veel aandacht aan de eerbiedwekkende schoonheid van je baard, maar nu, bij het uittrekken van je haren, wijd je nog meer gedachten aan je baard!”

 

Winnen kun je alleen, als anderen meedoen!

huldigen

  • Waarom huldigen wij alleen de winnaars

De Olympische Winterspelen 2018 zijn begonnen. Het zal niemand ontgaan zijn En, omdat er maar een de beste kan zijn, hebben wij voor al die anderen de troostspreuk al klaar: “Meedoen is belangrijker dan winnen.” Een obligate opmerking, waarmee wij hen eigenlijk aan de schandpaal nagelen. Want alleen de winnaars huldigen wij vervolgens!

“Meedoen is belangrijker dan winnen!” Het wordt zo vaak  herhaald dat niemand zich meer afvraagt of de stelling nog wel klopt. En als hij klopt, is ons doen en laten er dan ook naar? Of papegaaien wij er maar wat op los. Omdat het lekker bekt; lekker ‘sociaal’ staat?

“Meedoen is belangrijker dan winnen’. Helaas is het een cliché dat meedoen belangrijker is dan winnen. En nog gelogen ook, want uiteindelijk wil iedereen het liefste op de hoogste trede janken bij zijn eigen volkslied.

“Meedoen is belangrijker dan winnen’. Ik blij het desondanks toch zeggen. Omdat ik dat echt van mening ben. Ook, al zie ik dat ons doen en laten vaak iets heel anders zegt. De winnaars ja, die huldigen wij. Liefst met een praaltocht op de platte wagen of een ridderorde. De verliezers mogen daarbij langs de kant staan. Hun aandacht bestaat uit eindeloze praat- en analyseprogramma’s waarin anderen hen de oorzaak van hun falen graag en langdurig inwrijven. Waarbij de beste stuurlui natuurlijk op de spreekwoordelijke wal staan.

Ons sportklimaat is overigens een prima afspiegeling van onze maatschappij. Dagelijks boeren politici, bestuurders en bazen het in elke microfoon die hen onder de neus geduwd wordt. Of schreeuwen zij het – bij gebrek aan een microfoon – van de daken: “In onze participatiemaatschappij telt en doet iedereen mee. Het gaat niet om de knikkers, het gaat om het spel!”

Waarom dan, zo vraag ik mij af, zitten er nog elke dag opnieuw duizenden mensen thuis op de bank? Mensen die niet mogen of kunnen meespelen, omdat wij – in de jacht op de knikkers – in het spel hen voorbij kijken. Onze  prestatiemaatschappij nodigt zo niet bepaald uit tot meedoen.

Meedoen bestaat uit tweerichtingsverkeer en gedijt bij échte belangstelling voor elkaar.  Als de ander na een snel ‘Hoe gaat het?’ doorloopt en geen oog voor je heeft als het wat minder gaat – of daar oeverloos over blijft dooremmeren – is dat weinig inspirerend en motiverend om je deel te voelen van de samenleving. Of, in sporttermen, om je deel te voelen van de prestatie.

Als Sven Kramer (terecht) gehuldigd en gevierd wordt omdat hij voor de derde keer op rij goud wint op 5 kilometer hard schaatsen, dan dankt hij dat succes net zo goed aan de schitterende prestaties van anderen. Het is immers geen kunst te winnen, als de rest er met de pet naar gooit!

Meedoen is meetellen. Het leidt tot een gevoel van trots, als je jouw eigen talenten kunt inzetten om nieuwe talenten te ontplooien. Juist het gevoel ertoe te doen, iets te kunnen betekenen voor een ander, maakt ons actief.

In een echte participatiemaatschappij is “Meedoen is belangrijker dan winnen” meer dan een cliché. Een echte participatiemaatschappij laat iedereen meedoen. Gewoon, omdat ‘iedereen telt en doet mee’ gebaseerd is op inclusief denken en doen, respect en ruimte voor diversiteit; ook bij en in prestaties.

Noem mij een zuurpruim of een idealist. Het zij zo, maar ik geloof dat écht! In een echte participatiemaatschappij doet iedereen mee. Iedereen, dat wil zeggen ook de mensen die dak- of thuisloos zijn. Ook de morbide verzamelaar van grafzerken of doppen van bierflesjes. Net zo goed als de mensen die niet zo hard  – of helemaal niet – kunnen schaatsen. Maar misschien juist weer heel goed zijn voor hun buurtjes. In een echte participatie maatschappij telt elke prestatie.

Het is de kunst om juist ook die prestaties te willen zien. Niet, om afbreuk te doen aan de schitterde prestaties van de (op een moment) allerbesten. Integendeel. Het is juist het presteren van al die anderen die glans en schittering geven aan de prestaties van de allerbesten. Juist daarom moeten wij goed blijven kijken en luisteren naar de prestaties van alle mensen en (ook) hun behoeftes serieus nemen. Want winnen kun je alleen, als anderen meetellen en meedoen!

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Veerkrachtige kinderen

Florida project.png

  • The Florida Project

Een kwart van de Amerikaanse kinderen groeit op in armoede. Met The Florida Project laat Sean Baker zien welke impact dat op hen heeft, hoe ze desondanks overeind blijven, maar uiteindelijk bij al hun semi-volwassen lefgozerij toch ook ‘gewoon’ kwetsbare kinderen zijn.

De 6-jarige Moonee woont met haar moeder Halley in een motel in de schaduw van Disney World Florida. De zomervakantie is net begonnen en Moonee vult haar dagen door samen met haar vriendjes het terrein te verkennen en kattenkwaad uit te halen.

Haar 22-jarige moeder doet ondertussen haar best om zo goed ze kan voor haar te zorgen, maar wil ondertussen als twintiger ook gewoon wat lol kunnen beleven en belandt uiteindelijk in de prostitutie. Motelmanager Bobby (schitterende rol van acteur Willem Dafoe, te midden van een cast die grotendeels bestaat uit amateurs) lijkt de enige volwassene in de omgeving te zijn die de kinderen in het gareel probeert te houden. Totdat het echte leven Halley inhaalt en ze de harde realiteit onder ogen moet komen.

 

Een man mag niet huilen

  • Verlegen zijn met jezelf

Macho: ‘Grote Jongens Huilen Niet’ is een korte film die gaat over een kwetsbare jongen die op vroege leeftijd heeft geleerd dat het slecht is om je emoties te uiten. Zo groeit het hoofdpersonage op in een macho.

Dit is de eerste van een reeks films met verschillende artiesten en acteurs. Het doel is uiteindelijk om door middel van films, verhalen te vertellen waarin jongeren zichzelf kunnen herkennen.

Het doen leert hoe het moet

moeras.png

  • Moerasmeesters in een trillende prairie van intenties

“Ouders en jongeren worstelen met weg naar jeugdhulp.” “Jeugdwet niet ter discussie, wel knelpunten in uitvoering.” “Een goed fundament met zwakke plekken.” “Realiseren ambities Jeugdwet vraagt extra inspanning” en “Jeugdwet leidt nog niet tot minder gespecialiseerde hulp.” Dit zijn de belangrijkste conclusies van de Eerste evaluatie Jeugdwet, die onlangs  is aangeboden aan de ministeries van VWS en JenV en aan de VNG.

Voor critici en sombermensen zijn het al gauw de haakjes waaraan ze de Jeugdwet willen opknopen. Voor fans en optimisten zijn het strohalmen waaraan zij zich vasthouden tijdens de voortdurende zoektocht naar de werkelijke bedoeling van de Jeugdwet.

Drie jaar na de invoering van de Jeugdwet blijkt het voor lang niet alle kinderen, jongeren en ouders eenvoudig om de jeugdhulp te krijgen die nodig is. Dat komt niet door de uitvoerende professionals, zo moet worden vastgesteld. Want over de feitelijke hulp zijn ouders en jeugdigen over het algemeen tevreden. Waar het werkelijk aan schort is de informatievoorziening en duidelijkheid over de juiste weg naar passende ondersteuning. Want, zo leert ook deze evaluatie, de loketten die de Jeugdwet beloofde te slopen, zijn nog altijd in stand gebleven. Zoals ook de beheerszucht van de financierende gemeenten en zorgverzekeraars ertoe leidt dat de vermaledijde toegangspoortjes – de indicatieorganen die zouden verdwijnen – nog welig tieren. Menig sociaal wijkteam ziet door wet- en regelgeving het merendeel van haar inzet opgevreten door verplichte bureaucratie. In plaats van daadwerkelijke hulpverlening moeten zij etiketten plakken op hun cliënten. Opdat de jeugdige of diens ouder past binnen het kader van de ingekochte producten. Maatwerk is het motto, maar confectie is het aanbod. Ruimte om bij de uitvoering en organisatie rekening te houden met de lokale context, struikelt niet zelden over de drempels van regionale inkoopsystemen en -afspraken. Zij wurgen de gemeentelijke beleidsvrijheid en professionele ruimte voor uitvoerenden. Zij moeten zich bij tijd en wijle voelen als gedropt in een darkroom. Omringd door  systeemwellustigen die, op elk moment en onverwacht, hen grijpen kunnen. En dan zwijg ik nog over de perverse effecten die aanbestedingsregels, gegevensuitwisseling en het recht op privacy hebben op de zo gewenste samenwerking en samenhang bij jeugdhulp.

Ook het doorbreken van de schotten, volgens de nieuwe Jeugdwet een van de tien geboden, lukt moeizaam tot niet. Zo is het wettelijk nog altijd onmogelijk om een beschikking af te geven op gezinsniveau. Alleen ondersteuning of zorg aan een individu mag worden toegewezen. Hierdoor blijft de verbinding tussen de jeugdhulp en andere domeinen, zoals de schuldhulpverlening, het onderwijs of de Wmo, veelal een fata morgana in de woestijnstorm van intenties. Terwijl toch gemeenten die verbindingen zouden moeten en mogen leggen; was althans een van de belangrijkste overwegingen achter de decentralisatie!

Wijkteams, buurtteams of wijknetwerken, met prachtig ronkende slogans gepresenteerd, hebben in vrijwel alle gemeenten een cruciale rol bij het realiseren van de doelen van de Jeugdwet. De professionals willen wel, maar mogen of kunnen niet direct de ondersteuning bieden die nodig is. Omdat zij, zoals toch de bedoeling was, door er dichterbij te zijn en erop af te gaan, meer en eerder zien dat en wat er fout gaat. De boeggolf aan vraag die daardoor ontstaat kan echter niet met voldoende menskracht of passend aanbod worden gekeerd. Onder andere omdat tegelijkertijd forse bezuinigingen zijn doorgevoerd. Of, omdat de daarvoor benodigde kennis en kunde niet, zoals beloofd en verondersteld, is overgehuisd van de derde of de tweede naar de eerste lijn.

Toch blijf ik hoopvol de balans zoeken. Tussen geboeidheid door de bedoeling en de onbevredigende werkelijkheid van het nu. Want natuurlijk zijn er knelpunten.  Net zoals er oplossingen zijn. De reorganisatie van de jeugdzorg was een goed idee, maar we zijn er nog niet. Vooral de verschillen tussen droom en daad spelen ons nog parten. Juist de spanning daartussen maakt mij nieuwsgierig en moedig.  Want de Jeugdwet biedt een goed fundament voor een beter werkend stelsel. Een basis waarop jeugdigen en hun ouders kunnen rekenen op hulp die aansluit bij hun behoeften. Mits wij de ruimte voor diversiteit die de Jeugdwet  biedt durven te pakken. Gewoon, omdat wij dan beter kunnen aansluiten bij de vragen van de jeugdigen en hun ouders.

Ik zie, zoals de sombermensen, de oplossing dan ook niet in een aanpassing (lees: terugdraaiing) van de wet, maar eerst en vooral in een verdere ontschotting. Ik zie het antwoord daarvoor in een inzet waarbij wij jeugdigen en hun ouders, net zo goed als professionals elkaar, helpen een weg te vinden. Weg uit het wispelturige moeras op de trillende prairie van goedbedoelde maar niet werkende intenties.  Waarin wij reddeloos verloren nietsvermoedend tot ons middel kunnen verdwijnen. Tenzij wij ons niet langer laten door de letter van de wet maar door haar geest  van het gezond verstand.

  • De auteur, Peter Paul J. Doodkorte, is als senior-adviseur verbonden aan Vondel & Nassau, een landelijk werkend adviesbureau voor sociaal domein en overheden.

 

 

Shame on you

schaamte.png

Wanneer Jonas een weddenschap aangaat met zijn vrienden om een naaktfoto te bemachtigen weet hij niet welke gevolgen dit met zich zal meebrengen.